Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/1208 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard. De brief van 4 juni 2015 is ondertekend door de arbeidsjurist van het Erasmus MC, die daarbij niet is gemandateerd door de raad van bestuur om een besluit te nemen. De brief is slechts een reactie op het bezwaarschrift van appellant tegen het ontslagbesluit. De brief kan dus niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1208 AW

Datum uitspraak: 31 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 januari 2016, 15/4341 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (raad van bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Appellant heeft daarbij om schadevergoeding verzocht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016, waar de zaak tegelijk is behandeld met de zaak 16/1207 AW. Appellant is verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak en C. Meinhardt-van Lint. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is hervat op 9 maart 2017. Appellant is verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Coonen-ter Braak en Meinhardt-van Lint. Het onderzoek ter zitting is andermaal geschorst. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is weer hervat op 20 juli 2017. Appellant is verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken. Na de behandeling zijn de zaken weer gesplitst. Heden wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was met ingang van 1 november 2008 aangesteld in de functie van

[naam functie] bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum (Erasmus MC).

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad van bestuur appellant met ingang van 1 juli 2015 eervol ontslag verleend.

1.3.

Bij brief van 6 mei 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.

1.4.

Bij brief van 4 juni 2015 heeft de arbeidsjurist van het Erasmus MC gereageerd op het bezwaarschrift. Tegen deze brief heeft appellant beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 4 juni 2015 is ondertekend door de arbeidsjurist van het Erasmus MC, die daarbij niet is gemandateerd door de raad van bestuur om een besluit te nemen. Bovendien is de brief niet gericht op een beslissing waarmee de rechten van appellant zijn veranderd. De brief is slechts een reactie op het bezwaarschrift van appellant van 6 mei 2015 tegen het ontslagbesluit. De brief kan dus niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:1 van de Awb in verbinding met artikel 7:1 van de Awb is bezwaar en beroep tegen deze brief niet mogelijk.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De brief van 4 juni 2015 kan volgens hem wel worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. De rechtbank heeft dus terecht geconcludeerd dat zij niet bevoegd is over dit geschil te beslissen.

4.2.

Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. De veroordeling tot vergoeding van schade waarom appellant heeft verzocht, komt niet voor toewijzing in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

HD