Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/5311 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De raad van bestuur heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant de eigenschappen, mentaliteit en instelling ontbeert om zijn functie op juiste wijze te vervullen. De raad van bestuur heeft in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen. Hij is in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren maar hij is daarin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5311 AW, 16/5312 AW

Datum uitspraak: 31 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 juli 2016, 14/1585 en 15/892 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam (raad van bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft gereageerd op het verweerschrift en zijn hoger beroepsgronden aangevuld. Vervolgens heeft hij nogmaals zijn hoger beroepsgronden aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. [naam gemachtigde] . De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak, prof. dr. P. Sonneveld (S) en

A.S. de Wringer-van Vliet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 juni 2010 aangesteld in vaste dienst van het Erasmus Medisch Centrum (Erasmus MC) in de functie van [functie 1] binnen de unit

[unit] van het [naam Centrum] . Tevens is appellant aangesteld als [functie 2] ( [functie 2] ) met als aandachtsgebied ‘ [aandachtsgebied] ’. De waardering voor deze functie (die de Raad hierna zal aanduiden als [functie 1] tevens [functie 2] ) is vastgesteld op schaal 15 conform de organieke functietypering van [functie 2] uit de functiefamilie [functiefamilie] . Daarnaast is appellant per 1 mei 2011 voor vier jaar benoemd tot [functie 3] ‘ [vakgebied] ’. Een belangrijk deel van de werkzaamheden van appellant

- ongeveer 55% - bestaat uit werk ten behoeve van studies van de Stichting

[naam stichting] ( [naam stichting] ).

1.2.

Op 20 september 2010 heeft een eerste beoordelingsgesprek, tussen appellant en het afdelingshoofd prof. dr. [A.] , plaatsgevonden over het functioneren van appellant in zijn als ‘ [functie 1] ’ aangeduide functie. Het samenvattend oordeel luidde ‘voldoende’.

Op 14 juni 2011 heeft een tweede beoordelingsgesprek plaatsgevonden, over de periode van oktober 2010 tot juni 2011, tussen appellant en het nieuwe afdelingshoofd S. Het samenvattend oordeel over het functioneren van appellant in zijn als ‘wetenschappelijk onderzoeker’ aangeduide functie was ‘matig’. Op 1 juni 2012 en 6 juli 2012 heeft het jaargesprek over de periode van juni 2011 tot en met juni 2012 plaatsgevonden tussen appellant en S over het functioneren van appellant in zijn als ‘ [functie 1] / [functie 3] ’ aangeduide functie. Daarbij heeft S meerdere kritische kanttekeningen gemaakt over dit functioneren van appellant en geconcludeerd dat appellant matig functioneerde. Appellant heeft in een brief van 30 juli 2012 alle kritiekpunten weersproken en gesteld dat zijn functioneren adequaat was. Bij brief van 14 september 2012 heeft S gereageerd en is appellant een beoordelingstraject aangezegd dat loopt van 15 september 2012 tot 15 maart 2013. Daarbij zijn vijf afspraken/acties vastgelegd die appellant binnen die zes maanden moet realiseren. Voorts zal in de tweede helft van maart 2013 een beoordelingsgesprek plaatsvinden. Tijdens een werkoverleg op 14 december 2012 is een aantal situaties aan de orde gesteld waarbij het functioneren van appellant niet goed was. Dit was aanleiding om op

4 januari 2013 een tussentijdse evaluatie van het beoordelingstraject plaats te doen vinden. Appellant heeft met een brief van 28 januari 2013 gereageerd op het gespreksverslag van

4 januari 2013 en gesteld dat zijn functioneren geen tekortkomingen kent en dat ongefundeerde, onduidelijke en deels onmogelijke eisen aan hem worden gesteld.

1.3.

Op 18 maart 2013 heeft S een beoordeling opgesteld over het functioneren van appellant over de periode van 15 september 2012 tot 15 maart 2013. Naast de kwaliteit en kwantiteit van het werk en de reguliere competenties zijn ook de vijf afspraken/acties besproken. Het samenvattend oordeel is ‘onvoldoende’. Bij besluit van 18 maart 2013 is aan appellant, vanwege de onrust in en om de afdeling over zijn functioneren, per direct buitengewoon verleend met behoud van salaris. Het hiertegen gemaakte bezwaar, als ook het verzoek om een voorlopige voorziening, heeft appellant, na behandeling ter zitting van de rechtbank, ingetrokken.

1.4.

Bij brief van 5 april 2013, aangevuld bij brieven van 19 april 2013 en 26 augustus 2013, heeft appellant zijn bedenkingen naar voren gebracht omtrent de op 18 maart 2013 vastgestelde beoordeling. Op 5 juni 2013 heeft appellant zijn bedenkingen mondeling toegelicht in een gesprek met prof. dr. [B.] ( [B.] ), voorzitter van de raad van bestuur, en [C.] , adviseur P&O. Op 6 juni 2013 heeft S een gesprek gehad met [B.] en [C.] in het kader van de bedenkingenprocedure. Bij primair besluit van 12 juni 2013 (besluit 1) heeft de raad van bestuur de beoordeling van 18 maart 2013 ongewijzigd vastgesteld en het eindoordeel ‘onvoldoende’ gehandhaafd. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Voorts is een mediationtraject gestart.

1.5.

Bij primair besluit van 26 juni 2013 (besluit 2) heeft de raad van bestuur appellant met ingang van 26 juni 2013 aangewezen als herplaatsingskandidaat. Aan dit besluit heeft de raad van bestuur het voornemen ten grondslag gelegd om aan appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 12.11, eerste lid, onder e, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Universitair Medische Centra (CAO UMC). Met toepassing van artikel 12.11, derde lid, van de CAO UMC kan dit ontslag plaatsvinden nadat is onderzocht of er binnen de organisatie een passende functie beschikbaar is. In principe kan na een herplaatsingsonderzoek van zes maanden tot ontslag worden overgegaan. Aangezien de mogelijkheden voor een passende functie binnen de organisatie beperkt zijn, gezien de inschaling en het vakgebied van appellant, heeft de raad van bestuur besloten het herplaatsingsonderzoek op voorhand te verlengen tot twaalf maanden. Voorts zal appellant, zoals in het mediationtraject is besproken, tijdelijk werkzaamheden gaan verrichten binnen de afdeling Biostatistiek die valt onder leiding van prof. dr. [D.] .

1.6.

Bij brieven van 1 juli 2013 en 26 augustus 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat en heeft hij zijn zienswijze aangaande het ontslag naar voren gebracht.

1.7.

Bij besluit van 11 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft de raad van bestuur het bezwaar tegen besluit 1 (de beoordeling) gegrond verklaard, dit besluit herroepen en het bezwaar tegen besluit 2 (de aanwijzing als herplaatsingskandidaat) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het herroepen van de beoordeling - op de grond dat ten onrechte alleen de

[naam stichting] -werkzaamheden zijn beoordeeld - niet afdoet aan de gegevens die aan de beoordeling ten grondslag hebben gelegen, aan de onvoldoende scores met betrekking tot de [naam stichting] -werkzaamheden en aan het samenvattend eindoordeel ‘onvoldoende’.

1.8.

Bij besluit van 7 mei 2014 (besluit 3) heeft de raad van bestuur aan appellant met ingang van 1 juli 2014 eervol ontslag verleend als [functie 1] , tevens [functie 3] , in vaste dienst bij Erasmus MC op grond van artikel 12.11, eerste lid, onder e, van de CAO UMC. Aangezien de vestiging van de leerstoel is gekoppeld aan een actief dienstverband bij het Erasmus MC betekent dit, aldus de raad van bestuur, dat de leerstoel per 1 juli 2014 komt te vervallen. De raad van bestuur heeft verwezen naar besluit 1, waarin is toegelicht dat appellant niet beschikt over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling voor de door hem beklede functie. Uit het herplaatsingsonderzoek was tot op dat moment gebleken dat er geen andere passende functies binnen de organisatie beschikbaar waren.

1.9.

Bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen besluit 3

(het ontslag) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern ervan. Zowel bij het herplaatsingsbesluit als bij het ontslagbesluit staat in de kern ter beoordeling of de raad van bestuur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant onbekwaam of ongeschikt is voor zijn functie van [functie 1] tevens [functie 2] en dat deze ongeschiktheid tevens betrekking heeft op zijn functie van [functie 3] .

4.2.1.

Wat de omvang van het geding betreft stelt de Raad vast dat appellant mede beroepsgronden heeft ingebracht tegen de stelling van de raad van bestuur dat de leerstoel van appellant gelijktijdig met zijn ontslag per 1 juli 2014 is vervallen, aangezien de vestiging van de leerstoel die appellant bekleedde is gekoppeld aan een actief dienstverband bij het Erasmus MC. Kort samengevat heeft appellant betoogd dat niet de raad van bestuur maar (het bestuur van) de Vereniging [naam Vereniging] , dan wel het bevoegd gezag van de [naam Vereniging] in deze bevoegd zou zijn, en dat de rechtbank over de betreffende beroepsgronden ten onrechte geen oordeel heeft gegeven.

4.2.2.

Ter zitting heeft de raad van bestuur zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien de veronderstelling onjuist is geweest dat gelijktijdig met het ontslag van appellant ook zijn leerstoel en het hoogleraarschap zouden zijn vervallen. Bij gebreke van een expliciet besluit van de [naam Vereniging] op dit punt moet worden aangenomen dat de leerstoel en het hoogleraarschap van appellant tot 1 mei 2015 hebben voortgeduurd, en dat daaraan van rechtswege een einde is gekomen nu niet tot continuering van de leerstoel is besloten. Nu niet gebleken is van enig procesbelang van appellant op dit punt, zal de Raad in dit geding voorbij gaan aan de betreffende beroepsgronden van appellant. Daarbij merkt de Raad wel op dat, nu de in geding zijnde besluiten zich (bij nader inzien) toespitsen op de bekwaamheid en geschiktheid van appellant in zijn functie van [functie 1] tevens [functie 2] , bij de beoordeling van die besluiten zoveel mogelijk moet worden geabstraheerd van eventuele bijzondere eisen die uitsluitend verbonden zijn aan de functie van [functie 3] , die hier immers niet in geding is.

4.3.

Appellant heeft betoogd dat de inhoud van de beoordeling van 18 maart 2013 door de raad van bestuur ten onrechte is gebruikt ter onderbouwing van de besluiten 2 en 3 inzake zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat en zijn ontslag. Dit zou ongeoorloofd zijn nu het desbetreffende beoordelingsbesluit door de raad van bestuur is herroepen. De Raad volgt appellant hierin niet. De raad van bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het herroepen van de beoordeling op de grond dat deze alleen betrekking had op de

[naam stichting] -werkzaamheden (die ongeveer 55% van de werkzaamheden van appellant uitmaakten) en niet op de overige door hem verrichte werkzaamheden, niet afdoet aan de gegevens die aan deze beoordeling ten grondslag hebben gelegen, als deze gegevens in rechte voldoende komen vast te staan. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak ter zake (uitspraak van 23 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3351).

4.4.

Appellant heeft nog een groot aantal gronden aangevoerd die erop neerkomen dat de beoordeling van 18 maart 2013 gebrekkig zou zijn en de in die beoordeling vermelde gegevens niet mogen dienen ter onderbouwing van de conclusie dat hij niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling voor een juiste vervulling van zijn functie. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onvoldoende beoordeling is ingegeven door eigenbelang van S; evenmin dat S zou hebben bijgedragen aan het onvoldoende functioneren door ‘gezagsondermijnende activiteiten’. Ook ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat S de ‘heimelijk verkregen’ gegevens van informanten over appellant niet zou mogen gebruiken bij zijn beoordeling. De stelling van appellant dat hij niet beoordeeld had mogen worden op managementtaken kan de Raad ook niet volgen, nu appellant gedurende de beoordelingsperiode met deze taken belast was, wat ook passend is bij een [functie 1] tevens [functie 2] met een inschaling op het maximum van schaal 15.

4.5.

Met de rechtbank ziet de Raad, ondanks de vele argumenten en uitvoerige geschriften waarmee appellant de over zijn functioneren geuite kritiek heeft bestreden, geen aanleiding om deze kritiek voor onjuist te houden, nu deze vrijwel eensluidend is en afkomstig is van meerdere personen die - direct of indirect - met zijn functioneren van doen hebben gehad. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting rijst het beeld op van een medewerker die weliswaar over bewezen kwaliteiten beschikt op het terrein van de statistiek, maar die er onvoldoende in geslaagd is op het voor hem nieuwe vakgebied van de [aandachtsgebied] de expert-rol die van hem verwacht werd waar te maken en tot een vruchtbare samenwerking te komen met zijn collega’s op medisch en statistisch terrein. Tekenend acht de Raad de wijze waarop appellant bij herhaling zijn rekenmethodes niet afstemde met die van zijn collega’s op de afdeling, waardoor gerechtvaardigde twijfel ontstond aan de betrouwbaarheid van de door hem berekende scores in het licht van de internationale standaarden waarmee de vergelijkbaarheid van onderzoeksresultaten op het vakgebied moet worden geborgd. Daarbij kwam nog, zoals de rechtbank met juistheid heeft uiteengezet, dat appellant moeilijk aanspreekbaar was op zijn functioneren. Hij heeft vrijwel van meet af aan op alle uitingen van kritiek ontkennend gereageerd met zeer uitvoerige schriftelijke reacties, zonder er blijk van te geven dat hij begrijpt waarop die kritiek betrekking heeft en zonder zelfs maar dóór te vragen naar achtergrond en kern van de kritiek. De verbeteracties die van hem werden verwacht heeft hij als ongefundeerd en zinloos van de hand gewezen. Appellant heeft kennelijk niet beseft dat dit reactiepatroon, dat hij zelf ziet als legitieme verdediging, de kritiek van en verontrusting onder zijn collega’s eerder versterkt dan verzwakt heeft.

4.6.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat de raad van bestuur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant de eigenschappen, mentaliteit en instelling ontbeert om zijn functie van [functie 1] tevens [functie 2] op juiste wijze te vervullen. Het oordeel over appellants functioneren wordt niet anders, indien - in lijn met wat in rechtsoverweging 4.2.2 is overwogen - wordt geabstraheerd van eventuele bijzondere eisen die uitsluitend verbonden zijn aan appellants functie van hoogleraar. In dit verband merkt de Raad op dat appellant wel heeft gesteld, maar niet concreet heeft onderbouwd dat hij negatief is beoordeeld op een of meer punten die uitsluitend zijn functioneren als [functie 3] betreffen.

4.7.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog, dat hem onvoldoende verbeterkansen zijn aangeboden. Met het vijfpuntenplan, dat aan appellant is meegegeven bij zijn beoordeling van 2011/2012, is een verbetertraject van start gegaan. Weliswaar was het vijfpuntenplan op zichzelf beschouwd wellicht op onderdelen te ambitieus om in een periode van zes maanden volledig te realiseren, maar die constatering neemt niet weg dat appellant ook naar realistische maatstaven niet of nauwelijks progressie heeft getoond op de aangegeven verbeterpunten. Mede gelet op de ervaring en het hoge niveau die bij appellant mochten worden verondersteld, moet de conclusie luiden dat hij in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren maar daarin niet is geslaagd.

4.8.

De Raad onderschrijft voorts wat de rechtbank heeft overwogen over de toereikendheid van het herplaatsingsonderzoek dat de raad van bestuur heeft verricht, nu niet gebleken is dat een passende functie beschikbaar was tot maximaal twee schalen lager dan de functie die appellant tot dan toe bekleed had. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat tussen partijen de afspraak is gemaakt dat de werkzaamheden van appellant structureel zouden worden aangepast om aldus een passende functie te creëren; ook uit anderen hoofde kan de raad van bestuur daartoe niet verplicht worden geacht.

4.9.

De Raad komt tot de slotsom dat de raad van bestuur bevoegd in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen. Aan de ontslaggrond dat er naast ongeschiktheid tevens sprake is van onverenigbaarheid van karakters en/of een vertrouwensbreuk wordt dan ook niet meer toegekomen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en K.J. Kraan en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2017.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) A.M. Pasmans

HD