Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
16/3724 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2801, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Alcohol op het werk. Onjuiste verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3724 AW

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 april 2016, 15/4567 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Hoekstra hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoekstra. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. van Hof en P.A. Baaijens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 april 2007 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), laatstelijk als medior complexbeveiliger bij de Penitentiaire Inrichting (PI) te [locatie] .

1.2.

Op 1 en 2 januari 2015 zijn enkele meldingen binnengekomen over een aantal gebeurtenissen in en rond de nachtdienst van 31 december 2014 op 1 januari 2015, waarbij appellant alcoholische drank de PI zou hebben binnengebracht en genuttigd. Op 2 januari 2015 heeft de teamleider alle betrokken medewerkers, inclusief appellant, verzocht een verklaring op schrift te stellen over de gebeurtenissen. Appellant heeft daarop een

e-mailbericht gestuurd. Vervolgens is appellant naar de PI gegaan, waar een gesprek heeft plaatsgevonden met de teamleider en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur. De vestigingsdirectie heeft daarna het hoofd van de afdeling Veiligheid opgedragen een intern onderzoek in te stellen. In afwachting van de resultaten van dit onderzoek heeft de minister appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 6 januari 2015 de toegang tot de PI ontzegd. De resultaten van het onderzoek van de afdeling Veiligheid zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 22 januari 2015. Appellant is op 26 januari 2015 gehoord door onder anderen de vestigingsdirecteur en het hoofd Veiligheid.

1.3.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister appellant bij besluit van 23 februari 2015 wegens ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 81, aanhef en eerste lid, onder 1, van het ARAR de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. De minister heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2015.

1.4.

Appellant wordt verweten dat hij:

a. in strijd met artikel 78 van het ARAR en de Gedragscode DJI alcohol binnen de inrichting heeft meegenomen;

b. in strijd met artikel 78 van het ARAR en de Gedragscode DJI alcohol heeft gedronken tijdens zijn diensttijd;

c. meerdere malen, zowel tegenover zijn collega’s als tegenover het bevoegd gezag, heeft ontkend dat sprake was van alcohol;

d. bij voortduring onjuiste verklaringen heeft afgelegd en niet de waarheid heeft verteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Voor de vaststelling van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:201l:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging(en) heeft begaan.

4.1.2.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad worden de volgende, door appellant erkende dan wel niet weersproken, feiten als vaststaand aangenomen. Appellant heeft op 31 december 2014 een fles mousserende wijn van 6% alcohol binnen de inrichting meegenomen en heeft daarvan op 1 januari 2015 tijdens zijn diensttijd gedronken. In het e-mailbericht van 2 januari 2015 heeft appellant, in strijd met de waarheid, aan de teamleider gemeld dat hij het meebrengen van een fles alcoholhoudende drank met de vestigingsdirectie heeft besproken. Voorafgaand aan het gesprek op 2 januari 2015 heeft appellant bij de slijter een fles alcoholvrije mousserende wijn gekocht, deze leeggegoten en in zijn auto gelegd. Tijdens het gesprek heeft appellant verklaard dat de fles die hij op 31 januari 2014 binnen de inrichting had meegenomen geen alcohol bevatte. Appellant heeft tijdens het gesprek de lege fles alcoholvrije wijn overhandigd en gezegd dat dit de meegebrachte fles was. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij dit deed om zo "de angel eruit te halen". Voorafgaand aan het horen op 26 januari 2015 heeft appellant een schriftelijke verklaring overhandigd waarin hij onder meer vermeldt dat de meegebrachte fles geen alcohol bevatte. Pas tijdens het horen heeft appellant erkend dat wel sprake was van alcoholhoudende drank. Daarnaast heeft appellant tijdens het horen verklaard dat hij heeft geprobeerd bij de slijter eenzelfde fles te kopen als de meegebrachte en dat hij, toen bleek dat de slijter zo'n fles niet verkocht, een fles alcoholvrije wijn heeft gekocht.

4.1.3.

Uit het rapport van bevindingen van 22 januari 2015 blijkt dat de collega's S en G onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat appellant in de nacht van 31 januari 2014 op

1 januari 2015 heeft gezegd dat er geen alcohol in de fles zat. De Raad ziet, evenals de rechtbank en anders dan appellant betoogt, geen grond om de juistheid van die verklaringen in twijfel te trekken.

4.1.4.

Op grond van de in 4.1.2 en 4.1.3 weergegeven vaststaande feiten heeft ook de Raad de overtuiging verkregen dat appellant de hem door de minister verweten gedragingen zoals omschreven in 1.4 heeft begaan. De omstandigheid dat appellant na aanvang van het horen op 26 januari 2015 de nuance aanbrengt dat slechts sprake was van een lichte mousserende wijn met een alcoholpercentage van 6%, neemt niet weg dat appellant meerdere malen heeft ontkend dat sprake was van alcohol en daarover onjuiste verklaringen heeft afgelegd.

4.2.1.

Appellant betoogt dat de gedragingen niet zijn aan te merken als plichtsverzuim of hem in ieder geval niet volledig kunnen worden toegerekend, omdat binnen de PI sprake is van een cultuur die in strijd is met artikel 78 van het ARAR en die inhoudt dat met enige regelmaat bij feestjes of recepties alcohol binnen de inrichting wordt gebracht en wordt genuttigd door dienstdoende collega’s. Appellant verwijst in dat verband ook naar een gebeurtenis waarbij het hoofd Beveiliging, met toestemming van de vestigingsdirectie, een fles wijn de inrichting heeft binnengebracht en deze niet zoals voorgeschreven bij de toegangscontrole heeft afgegeven.

4.2.2.

In artikel 78 van het ARAR is bepaald dat het de ambtenaar verboden is gedurende de werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken en deze op het werk te bewaren. In de Gedragscode DJI is een uitzondering opgenomen op het verbod op het gebruik van alcohol tijdens werktijd, namelijk bij een receptie en diner aan het einde van de werkdag. Het verbod van artikel 78 van het ARAR staat niet in de weg aan het gebruik van alcoholische drank op feestelijke gelegenheden, voor zover het verstrekken ervan door of vanwege het bevoegd gezag is geregeld. In het geval van appellant was echter geen sprake van een situatie die onder deze uitzondering valt. Niet is gebleken dat sprake is van een cultuur binnen de PI waarbij deze regels stelselmatig of regelmatig worden overtreden en dit door de vestigingsdirectie wordt gedoogd. Voor de gebeurtenis waarnaar appellant heeft verwezen heeft de minister een afdoende verklaring gegeven. Het hoofd Veiligheid ontving bij het uitlaten van een bezoeker een fles wijn als relatiegeschenk. Omdat hij zijn autosleutel niet bij zich had, heeft hij de fles mee de inrichting binnengebracht, dit aan de portier gemeld en bij het verlaten van de inrichting de fles weer aan de portier laten zien. Zelfs als binnen de PI wel sprake zou zijn van een cultuur die de grenzen van de gemaakte uitzondering te buiten gaat, kan het beroep daarop appellant niet baten, omdat appellant te allen tijde een eigen verantwoordelijkheid bezit voor het naleven van het in artikel 78 van het ARAR en de Gedragscode DJI neergelegde alcoholverbod. Nu appellant heeft gehandeld in strijd met dit verbod, dit herhaaldelijk heeft ontkend en onjuiste verklaringen heeft afgelegd, heeft appellant zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De minister heeft de verweten gedragingen daarom terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen, zodat de minister bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog van appellant faalt.

4.3.

Gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen en de terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit, is de straf van ontslag niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is in aanmerking genomen dat de minister bij het opleggen van de

straf van ontslag terecht zwaar heeft laten meewegen dat appellant heeft geprobeerd het meebrengen en nuttigen van alcoholhoudende drank te verbergen door bewust een andere fles met alcoholvrije drank te overhandigen. Anders dan appellant betoogt is het niet zo dat hij na

2 januari 2015 geen onjuiste verklaringen meer heeft afgelegd. Voorafgaand aan het horen op 26 januari 2015 heeft hij immers schriftelijk verklaard dat de meegebrachte fles geen alcohol bevatte.

4.4.

Uit 4.1.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2017.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) L.L. van den IJssel

HD