Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
16/3523 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ontslag. Ernstig verstoorde arbeidsverhouding op het moment van ontslagverlening. 2) Na-wettelijke uitkering en een ontslagvergoeding waarbij het aandeel van het dagelijks bestuur op goede grond is bepaald op een bandbreedte van 51 tot 65%. Wat appellante heeft aangevoerd is onvoldoende voor het oordeel dat het aandeel van het dagelijks bestuur in de verstoorde verhoudingen groter is geweest dan de 51 tot 65 % waarvan het dagelijks bestuur is uitgegaan. Ook appellante heeft, door herhaaldelijk te kiezen voor een zeer formele benadering die een normalisering van de arbeidsverhouding in de weg heeft gestaan, bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot haar ontslag heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3523 AW

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 april 2016, 15/6427 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd in liquidatie (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Lauwen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof en drs. R.C.H. van den Tillaar.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 september 2007 werkzaam als [functie 1] bij Optimisd in [plaatsnaam] . De [functie 1] is in hoofdzaak werkzaam voor het [naam team] ( [team] ), dat bestaat uit de directeur, de teamleider [teamleider 1] en de teamleider [teamleider 2] . Daarnaast biedt de [functie 1] ondersteuning aan het blok [blok] . Vanaf 18 mei 2009 was de directeur - tot 1 januari 2014 [A] en daarna [B] - de direct leidinggevende van appellante.

1.2.

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het dagelijks bestuur appellante met ingang van 15 november 2013 ontheven uit haar functie van [functie 1] en geplaatst in de functie van [functie 2] . Aan de ontheffing is ten grondslag gelegd dat appellante in haar functie van [functie 1] onvoldoende functioneert en dat het [team] daarom geen vertrouwen meer in haar heeft. Het [team] heeft bovendien niet het vertrouwen dat appellante in de toekomst haar functie wel naar tevredenheid kan verrichten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 april 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 december 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:7711) heeft de rechtbank Oost-Brabant het beroep tegen het besluit van 28 april 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 13 november 2013 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er een te smalle basis is voor het oordeel dat appellante onvoldoende functioneert, dat geen verbetering in haar functioneren te verwachten is en dat zij daarom moet worden overgeplaatst. Van een acuut belang tot ontheffing is geen sprake geweest. Niet gebleken is dat appellante een reële verbeterkans is geboden. Met de belangen van appellante is te weinig rekening gehouden. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat haar oordeel zal betekenen dat het [team] en appellante een nieuwe werkverhouding zullen moeten vinden en daarbij de hoop uitgesproken dat beide partijen zich daarvoor zullen inzetten. Tevens heeft de rechtbank appellante erop gewezen dat haar oordeel niet betekent dat haar functioneren niet meer ter discussie staat. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2014 was appellante volledig arbeidsongeschikt. Op 26 januari 2015 hebben appellante en haar leidinggevende [B] onder begeleiding van een (externe) coach van [naam consulting] Consulting, [C] , met elkaar gesproken om te komen tot een succesvolle werkhervatting. Appellante heeft schriftelijk gereageerd op het verslag van dit gesprek.

1.4.

Met ingang van 5 februari 2015 heeft de bedrijfsarts appellante volledig arbeidsgeschikt geacht. Op 10 februari 2015 hebben appellante en [B] onder begeleiding van [C] opnieuw met elkaar gesproken. In het verslag van dit gesprek is vermeld dat [C] een afspraak maakt bij GITP om appellante een assessment te laten ondergaan. In een bijlage bij het gespreksverslag is de inhoud van een e-mailbericht van [C] gericht aan appellante en [B] opgenomen. Hierin is onder meer het volgende vermeld: “Hierbij laat ik jullie weten dat vrijdag a.s. [naam D] tijd heeft voor het assessment. Ik heb [D] geïnformeerd dat de aanleiding van het assessment is dat [naam E] als je nieuwe leidinggevende graag wil weten wat je competenties capaciteiten zijn en wat de ontwikkelpunten zijn om voor jou van je functie als [functie 1] een succes te maken.” Appellante heeft schriftelijk gereageerd op het gespreksverslag.

1.5.

Op 24 februari 2015 is het assessment dat voor appellante bij GITP gepland stond voor 27 februari 2015 geannuleerd, omdat zij bezwaar had tegen verstrekking van haar

NAW-gegevens aan GITP.

1.6.

Nadat het dagelijks bestuur het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze daarover had gegeven, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 14 april 2015 appellante ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) verleend. De ingangsdatum van het ontslag is daarbij bepaald op 1 mei 2015. Daaraan is als passende regeling in de zin van artikel 10d:4 van de CAR/UWO de garantie op een uitkering conform de Werkloosheidswet verbonden. Tevens is een bovenwettelijke aanvullende uitkering toegekend op grond van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO.

1.7.

Bij besluit van 13 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2015 in zoverre gegrond verklaard dat appellante tevens aanspraak heeft op een na-wettelijke uitkering en een ontslagvergoeding waarbij het aandeel van het dagelijks bestuur is bepaald op een bandbreedte van 51 tot 65%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen andere conclusie toelaten dan dat tussen partijen inmiddels een impasse is ontstaan die aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband in de weg staat. Ondanks dat partijen over en weer stellen alles te hebben gedaan om tot een herstel van de arbeidsverhouding te komen, is de situatie in korte tijd geëscaleerd. Het niet doorgaan van het op 27 februari 2015 geplande assessment was daarbij voor het dagelijks bestuur de druppel. De omstandigheid dat Optimisd per 1 januari 2017 zal ophouden te bestaan, maakt niet dat van het dagelijks bestuur kan worden gevergd het dienstverband tot die tijd te laten voortbestaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur, door zijn eigen aandeel in de ontstane situatie te schatten op 51 tot 65%, appellante wat betreft de hoogte van de toegekende ontslagvergoeding niet tekort heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat ook appellante heeft bijgedragen aan de ontstane situatie door herhaaldelijk te kiezen voor een zeer formele benadering, die een normalisering van de arbeidsverhouding in de weg heeft gestaan. Zij is er daarbij ten onrechte van

uitgegaan dat haar functioneren als [functie 1] na de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2014 niet meer ter discussie stond. Ten slotte is appellante ook bij de gang van zaken rond het assessment geenszins vrij te pleiten en heeft zij door haar handelwijze het bestaande conflict nodeloos op scherp gesteld.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. In het licht van deze rechtspraak is de rechtbank in haar motiveringsplicht niet tekortgeschoten. Ook de Raad beperkt zich tot de kern van de gronden die appellante naar voren heeft gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198 en van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat op de datum van het ontslagbesluit sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.4.

Appellante heeft betoogd dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om haar ontslag te verlenen, omdat geen sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie of impasse die aan een vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband in de weg stond.

4.5.

Dit betoog slaagt niet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 6 van de aangevallen uitspraak en maakt de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. De stukken in aanmerking nemend kan daarnaast worden vastgesteld dat sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding op het moment van ontslagverlening. In de jaren daarvoor hebben de houding en het gedrag van appellante tussen partijen ter discussie gestaan waardoor de onderlinge verhoudingen steeds meer onder druk zijn komen te staan. Partijen hebben geprobeerd om de werkverhouding te normaliseren door middel van (individuele) coaching en begeleiding van appellante, mediation en het voeren van vele (re-integratie)gesprekken, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Uit de dossiertukken blijkt dat sinds de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2014 de situatie in korte tijd verder is geëscaleerd. [B] wilde na deze uitspraak een nieuwe start maken en appellante een ontwikkelassessment laten ondergaan om haar als [functie 1] op een juiste manier (geleidelijk) in te zetten en te begeleiden. Dit geplande assessment heeft geen doorgang kunnen vinden omdat appellante daaraan onvoldoende medewerking heeft verleend. Verder heeft zij zeer uitgebreid schriftelijk gereageerd op de gespreksverslagen van 26 januari 2015 en 10 februari 2015 die door coach [C] zijn opgesteld, waarbij zij de juiste inhoud van de verslagen op bepaalde punten in twijfel heeft getrokken. De verhoudingen tussen partijen zijn verder verstoord geraakt en pogingen om de werkrelatie te verbeteren zijn alle mislukt. Daarom is er geen grond voor de opvatting van appellante dat een vruchtbare samenwerking nog mogelijk was en is. Dit betekent dat het dagelijks bestuur bevoegd was om appellante ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO te verlenen.

4.6.

Bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO geldt als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:25 van de CAR/UWO moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:30 van de CAR/UWO te worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de ambtenaar. Verder kan aanleiding bestaan om bovenop de werkloosheidsuitkering, de aanvullende uitkering en de

na-wettelijke uitkering een compensatie (de zogenoemde ‘plus’) toe te kennen, indien het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid (uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1549).

4.7.

Appellante heeft hierover onder meer aangevoerd dat het dagelijks bestuur na de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2014 voornamelijk heeft ingezet op haar vertrek en niet heeft geprobeerd om de verhoudingen te verbeteren of andere oplossingen te zoeken. Het aandeel van het dagelijks bestuur valt daarom volgens appellante in de categorie 100%. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit 4.5 volgt dat het dagelijks bestuur heeft geprobeerd de verhoudingen te verbeteren. Wat appellante heeft aangevoerd is onvoldoende voor het oordeel dat het aandeel van het dagelijks bestuur in de verstoorde verhoudingen groter is geweest dan de 51 tot 65 % waarvan het dagelijks bestuur is uitgegaan. Ook appellante heeft, door herhaaldelijk te kiezen voor een zeer formele benadering die een normalisering van de arbeidsverhouding in de weg heeft gestaan, bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot haar ontslag heeft geleid.

4.8.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.A. de Graaff

HD