Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
16/7871 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt appellant in zijn betwisting dat hij bij herhaling bezijden de waarheid heeft verklaard, nu het dossier voor deze gedraging geen aanknopingspunten biedt. De minister had dit daarom niet aan het ontslag ten grondslag mogen leggen. De overgebleven gedragingen leveren plichtsverzuim op en dit kan aan appellant worden toegerekend. De minister was bevoegd appellant daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen. Opgelegde straf is evenredig aan aard en de ernst van het plichtsverzuim gelet op aaneenschakeling van misstappen, met een concreet veiligheidsrisico tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7871 AW

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

11 november 2016, 16/2000 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Sanders en S. Willems.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 1994 aangesteld bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van [functie] bij de Penitentiaire Inrichting (PI) [regio] , locatie [locatie] .

1.2.

Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en na kennisneming van de zienswijze van appellant heeft de minister bij besluit van 24 februari 2016 appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. De minister heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat appellant een niet-professionele relatie met een gedetineerde is aangegaan, niet-professionele contacten met de moeder van de gedetineerde heeft onderhouden, heeft nagelaten melding te maken van deze relatie en contacten, de gedetineerde twee keer een speciaal telefoonnummer heeft gegeven zodat zij hem kon bellen, veelvuldig en vaak langdurig telefonisch contact heeft gehad met de gedetineerde en bij herhaling bezijden de waarheid heeft verklaard.

1.3.

Bij besluit van 24 mei 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 24 februari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft erkend dat hij een niet-professionele relatie met gedetineerde [X] is aangegaan, telefoonnummers aan haar heeft verstrekt, daarop door haar veelvuldig is gebeld, niet-professionele contacten met haar moeder heeft onderhouden, daarvan geen melding bij het bevoegd gezag heeft gemaakt en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Appellant heeft daarentegen betwist dat hij bij herhaling bezijden de waarheid heeft verklaard. De Raad volgt appellant daarin, nu het dossier voor deze gedraging geen aanknopingspunten biedt. De minister had dit daarom niet aan het ontslag ten grondslag mogen leggen. Dit neemt echter niet weg dat de overgebleven gedragingen plichtsverzuim opleveren, dat dit plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend en dat de minister bevoegd was appellant daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.2.

Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de opgelegde straf niet evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Hij heeft daartoe gewezen op een aantal concrete gevallen waarin volgens hem sprake was van ernstiger plichtsverzuim dan waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt en waarin de minister heeft volstaan met oplegging van een lichtere disciplinaire maatregel of zelfs in het geheel geen maatregel heeft opgelegd. Dit betoog slaagt niet. De Raad benadrukt dat appellant een privételefoonnummer van hemzelf heeft verstrekt aan een gedetineerde, dat de gedetineerde hem op dit nummer veelvuldig heeft gebeld, dat hij bij zijn leidinggevende geen melding heeft gemaakt van deze relatie en ook niet van het contact met en de bedreiging door de moeder van deze gedetineerde. Dat appellant op grond van ervaringen uit het verleden geen vertrouwen had in de leiding van de PI is geen rechtvaardiging voor het niet melden van de grensoverschrijdende contacten met [X] en haar moeder, alleen al niet gelet op het veiligheidsrisico dat uitging van het contact met en de bedreiging door de moeder van [X] . Appellant heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een zodanige aaneenschakeling van misstappen - met een concreet veiligheidsrisico tot gevolg - dat de straf van ontslag daarvoor niet onevenredig is. In de andere gevallen die appellant heeft genoemd, ging het om andere gedragingen. Daarom hoefde de minister, nog afgezien van de verdere omstandigheden van die gevallen, bij de strafoplegging aan appellant geen rekening te houden met die gevallen en kon hij ten aanzien van appellant een op zichzelf staande afweging maken. Dat in die andere gevallen volgens appellant sprake was van ernstiger plichtsverzuim en een lichtere straf, maakt dit niet anders.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.A. Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S.A. de Graaff

HD