Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
16/1427 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op Korošec-arrest. Anders dan appellant heeft aangevoerd, komt het beginsel van equality of arms in deze zaak niet in de knel. Derde stap vermeld in de uitgangspunten voor toetsing door de bestuursrechter. Mate van invaliditeit in geschil, niet de aard van de aandoeningen. In de adviezen van Blom wordt geen grond gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Koperberg. Redelijke termijn voor de behandeling verlengd met dertien maanden. Overschrijding redelijke termijn is twaalf maanden, waarvan drie maanden toegerekend aan de rechterlijke fase en de resterende negen maanden aan de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/271
JB 2017/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1427 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 januari 2016, 15/5668 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V. Dolderman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.J. van der Torn. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Engels Linssen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door onder meer de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is gewezen militair en ontvangt sinds 3 oktober 1999 een militair invaliditeitspensioen naar een mate van invaliditeit van 15%. Destijds is aanvaard dat de aandoening aan beide handen (fenomeen van Raynaud) in verband staat met de uitoefening van de militaire dienst.

1.2.

Op 29 september 2003 is appellant in het kader van een herbeoordeling onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek, waarvan de verzekeringsarts H.A. van der Kreek op

16 december 2003 rapport heeft uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat inmiddels sprake is van een gewijzigd medisch inzicht; de aandoening aan beide handen was de eerste uiting van een algemene aandoening (CREST-syndroom) die op basis van de gangbare medische opvattingen beschouwd dient te worden als te berusten op een endogene predispositie. Dienstverband is voor deze aandoening niet aannemelijk. De minister heeft hierin echter geen aanleiding gezien de hoogte van het militair invaliditeitspensioen te wijzigen.

1.3.

Bij brief van 15 maart 2010 heeft appellant verzocht om verhoging van zijn invaliditeitspensioen wegens een verergering van zijn ziektebeeld.

1.4.

Op 7 juni 2010 is appellant onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek, waarvan de verzekeringsarts R. Bhaggoe op 2 september 2010 rapport heeft uitgebracht. Deze heeft geconcludeerd dat appellant lijdt aan het CREST-syndroom dat in dit geval secundair gepaard gaat met het fenomeen van Raynaud. Voor het CREST-syndroom en de daaruit voortkomende klachten van de handen kan geen dienstverband worden aanvaard. Hierop heeft de minister bij besluit van 15 juni 2011 het verzoek om toekenning van een hoger militair invaliditeitspensioen afgewezen en het aan appellant toegekende invaliditeitspensioen met ingang van 1 augustus 2011 beëindigd. Met ingang van diezelfde datum heeft hij aan appellant levenslang een pensioenvervangende uitkering toegekend van gelijk niveau als het tot 1 augustus 2011 toegekende invaliditeitspensioen. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit de in 2003 en 2010 ingestelde geneeskundige onderzoeken is gebleken dat voor de aandoening aan beide handen generlei verband met de uitoefening van de militaire dienst wordt aanvaard. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 mei 2013 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.

Bij uitspraak van 19 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1613) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 mei 2013 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft het beëindigen van het invaliditeitspensioen van appellant in strijd geacht met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.6.

Bij besluit van 24 juni 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2011 gegrond verklaard en bepaald dat het aan appellant toegekende militair invaliditeitspensioen ook na 31 juli 2011 wordt gecontinueerd en dat dit pensioen met ingang van 15 maart 2009 zal worden berekend naar een (totale) mate van invaliditeit van 36%. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarvan verzekeringsarts I.P.L. Koperberg op 22 juni 2015 rapport heeft uitgebracht. Deze heeft geconcludeerd dat op juridische gronden voor de aandoening van appellant, een systemische aandoening die multipele orgaansystemen omvat, dienstverband wordt aanvaard. Op grond hiervan heeft Koperberg voor de volgende symptomen van de aandoening van appellant op de peildatum 15 maart 2010 een mate van invaliditeit aanwezig geacht:

- vaataandoening handen: 20%

- slokdarmaandoening: 15%

- vaataandoeningen in de huid: 1%

- verhardingen in de huid: 0%

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.7.

In beroep heeft appellant een advies van verzekeringsarts/medisch adviseur M. Blom overgelegd van 25 juli 2015, waarop verzekeringsarts A.M. Koop bij brief van 25 september 2015 heeft gereageerd. Op het nader advies van Blom van 18 december 2015 heeft Koop gereageerd bij brief van 7 januari 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de waardering van de mate van invaliditeit volgens WPC-nummers 1326 en 1501 is onderschat. Bij het nemen van het bestreden besluit mocht de minister zich baseren op het rapport van Koperberg. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te voldoen aan het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen voor het verrichten van een nader medisch onderzoek.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft zijn stelling dat de rechtbank het commentaar van de verzekeringsarts van 7 januari 2016 ten onrechte heeft toegelaten tot het geding, ter zitting laten vallen. Wel heeft hij gehandhaafd dat de rechtbank appellant ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn op de zitting gegeven toelichting op de reden voor het niet ondergaan van een slokdarmoperatie nader te onderbouwen. Nu niet is gebleken dat appellant ter zitting bij de rechtbank heeft laten weten nog een nadere onderbouwing te willen geven, ziet de Raad hierin geen onzorgvuldigheid van de rechtbank. Dit argument slaagt dus niet.

4.2.

Verder heeft appellant betoogd dat zijn mate van invaliditeit te laag is vastgesteld, waarbij hij verwijst naar de conclusies van de door hem ingeschakelde medisch adviseur Blom. Daarbij voert hij aan dat de rechtbank zijn oordeel dat de mate van invaliditeit niet is onderschat onvoldoende heeft gemotiveerd, dat de rechtbank de medische deskundigheid ontbeert om dat oordeel te geven en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een onafhankelijke deskundige in te schakelen heeft afgewezen. Appellant verzoekt thans de Raad om zo’n deskundige in te schakelen. Hij beroept zich hierbij op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec).

4.3.

Naar aanleiding van onder meer het hiervoor genoemde arrest van het EHRM in de zaak Korošec hebben de Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraken van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226 en ECLI:NL:RVS:2017:1674) de uitgangspunten voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door onderscheidenlijk verzekeringsartsen van het Uwv en BMA-artsen nader gepreciseerd. Met inachtneming van de door artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getrokken grenzen, wordt die toetsing bepaald door de gronden die een betrokkene aanvoert tegen de medische onderbouwing van de besluitvorming en de in dat verband overgelegde stukken.

4.4.

In dit geval heeft appellant in de loop van deze procedure meerdere rapporten van zijn eigen medisch adviseur ingebracht, alsmede informatie van zijn behandelend artsen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, komt het beginsel van equality of arms in deze zaak dus niet in de knel. Het geschil is niet zozeer terug te voeren op de eerste twee stappen, beschreven in de zojuist genoemde rechtspraak van de Raad en de Afdeling, maar betreft eerst en vooral de derde stap. Appellant heeft, aan de hand van de door hem overgelegde medische rapportages, de inhoudelijke juistheid van de conclusies van Koperberg, zoals die door de minister zijn overgenomen ter discussie gesteld. Het betreft de mate van invaliditeit, veroorzaakt door de vaataandoening aan de handen van appellant, die volgens Koperberg 20% is en volgens Blom 30% en de mate van invaliditeit veroorzaakt door de slokdarmaandoening, die volgens Koperberg 15% is en volgens Blom 50%. Over de aard van de aandoeningen van appellant bestaat geen verschil van mening.

4.5.

De klachten aan de handen, voortkomend uit het fenomeen van Raynaud, vallen zowel volgens Koperberg als volgens Blom onder WPC-nummer 1326, waarbij een mate van invaliditeit van 10% tot 50% hoort. Blom betoogt dat de verhoging van 5% ten opzichte van de in 1998 toegekende 15% niet meer is dan een schatting en dat deze niet goed kan worden onderbouwd. Richtlijnen voor de vaststelling van een percentage binnen het bereik van 10 tot 50% ontbreken ook. Daarom moet volgens Blom een gemiddelde worden toegepast, namelijk 30%. Blijkens het rapport van Koperberg van 22 juni 2015 vergelijkt hij de klachten in 2010, die hij vaststelt op basis van het rapport van Bhaggoe uit 2010, informatie van de behandelend internist Bredie uit dat jaar en de informatie uit de door hem afgenomen anamnese, met de toestand ten tijde van het eerste onderzoek in 1998. Koperberg benoemt de toename van de klachten in 2010 en concludeert dat de in 1998 vastgestelde mate van invaliditeit van 15% is toegenomen tot 20%. Aldus heeft Koperberg naar het oordeel van de Raad de mate van invaliditeit afdoende onderbouwd aan de hand van de door hem vastgestelde klachten en beperkingen. Dat de vaststelling van de mate van invaliditeit een schatting is, neemt niet weg dat de concrete klachten en beperkingen daarvoor bepalend zijn geweest. De benadering van Blom is daarentegen vooral rekenkundig. Hij onderbouwt de voorgestelde mate van invaliditeit van 30% niet aan de hand van de concrete klachten en beperkingen van appellant. De Raad ziet in de rapportage van Blom daarom geen grond om te twijfelen aan de conclusie van Koperberg op dit punt.

4.6.

Wat betreft de slokdarmaandoening van appellant betoogt Blom dat deze op de peildatum wel degelijk een merkbare invloed had op de algemene toestand van appellant. Appellant was weliswaar nog niet aangewezen op uitsluitend vloeibare of halfvloeibare stoffen, maar er werd wel overwogen de slokdarm op te rekken, wat niet past bij slechts lichte slikbezwaren. Ook had appellant in 2010 last van veel maagzuur, naast het niet goed kunnen doorslikken van vlees en het krijgen van krampen bij het drinken van koud water. WPC-nummer 1501 past daarom niet bij de situatie van appellant en Blom bepleit een mate van invaliditeit van 50%, het midden tussen WPC-nummers 1501 en 1502. De omschrijving bij WPC-nummer 1501 luidt: ‘stenose met lichte slikbezwaren zonder merkbare invloed op de algemene toestand’, met een mate van invaliditeit van 10 tot 30%. De omschrijving bij WPC-nummer 1502 luidt: ‘stenose, alleen gebruik van vloeibare of halfvloeibare stoffen toelatende, behandeling vereisende met instrumentale oprekking’, met een mate van invaliditeit van 70 tot 100%. Uit zijn advies van 15 december 2015 blijkt dat de beïnvloeding van de algemene toestand er volgens Blom uit bestaat dat appellant iedere keer dat hij vlees wil eten of een koud drankje zou willen, aan zijn problemen wordt herinnerd. Ook de wetenschap van een mogelijke, onprettige ingreep zou het algehele welbevinden van appellant nadelig beïnvloeden. In haar reactie van 7 januari 2016 licht verzekeringsarts Koop toe dat onder ‘invloed op de algemene toestand’ moet worden verstaan een nadelige invloed op de algehele (lichamelijke) gezondheid, bijvoorbeeld ernstig gewichtsverlies of mogelijke gevolgen door vitamine- of voedingsstoffentekorten. Het psychisch ongemak dat Blom benoemt, moet worden onderscheiden van invaliditeit. De Raad kan deze toelichting van Koop niet voor onjuist houden. Het psychisch ongemak dat Blom omschrijft, brengt geen invaliditeit mee. Verder staat vast dat de ingreep bestaande uit het oprekken van de slokdarm niet is verricht en blijkens de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van zijn behandelend reumatoloog ook niet geïndiceerd is. Ten slotte blijkt uit het rapport van Koperberg dat hij rekening heeft gehouden met de door Blom benoemde klachten.

4.7.

Uit de overwegingen onder 4.5 en 4.6 volgt dat de Raad in de adviezen van Blom geen grond ziet om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Koperberg. Gezien deze uitkomst acht de Raad het raadplegen van een medisch deskundige, zoals verzocht door appellant, niet nodig. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.1.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5.2.

In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend (uitspraak van 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044). Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

5.3.

In dit geval zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 12 juli 2011 tot de datum van deze uitspraak ruim zes jaren, afgerond 73 maanden, verstreken. Gebleken is dat appellant al in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om een zeer ruime termijn voor de motivering daarvan en nadien nog meermaals om verlenging. Eerst bij brief van

28 september 2012, dus ruim veertien maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, heeft de toenmalige gemachtigde van appellant de gronden van het bezwaar ingediend. Bij de vaststelling van de norm van een half jaar voor de behandeling van het bezwaar is ermee rekening gehouden dat in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen aan partijen vier weken de tijd wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaarschrift. De hier op verzoek van appellant verleende termijn is echter niet gebruikelijk. De Raad ziet hierin aanleiding de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak te verlengen met dertien maanden, zodat deze in totaal 61 maanden bedraagt. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt in dit geval dus (73 - 61 =) twaalf maanden en daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,-.

5.4.

De eerste behandeling door de rechtbank heeft meer dan anderhalf jaar geduurd, namelijk afgerond 21 maanden. Dat is een overschrijding van drie maanden. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank en het daaropvolgende hoger beroep hebben tezamen minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat in de tweede rechterlijke fase geen sprake is van een te lange behandelingsduur. Nu drie maanden van de totale overschrijding van

twaalf maanden moet worden toegerekend aan de rechterlijke fase, moet de resterende overschrijding van negen maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat de minister 9/12 deel van € 1.000,- dient te betalen (€ 750,-) en de Staat 3/12 deel (€ 250,-).

6. Het geslaagd beroep op schending van de redelijke termijn geeft aanleiding de minister en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in deze schadeprocedure, waarbij ieder van hen de helft betaalt. Deze kosten worden begroot op € 247,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand, zodat de minister en de Staat ieder € 123,75 dienen te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 750,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 123,75;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van appellant tot een bedrag van € 123,75.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD