Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
16/5672 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Appellant heeft terecht betoogd dat gemachtigde [X] het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over vergoeding van het griffierecht heeft ingesteld in zijn rol van gemachtigde van appellant en dat de rechtbank niet gemachtigde [X] maar appellant zelf als eiser had moeten aanmerken. 2) Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk en het college is geen dwangsom verschuldigd. 3) Uitleg vaststellingsovereenkomst, ten aanzien van griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5672 AW

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 juli 2016, 15/4879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2017. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde [naam] (hierna gemachtigde [X] ). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Ligthart.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de gemeente Utrecht. Nadat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord was geraakt, hebben het college en appellant in een vaststellingsovereenkomst (‘Persoonlijke Regeling’) afgesproken dat het college appellant met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht per 1 juli 2010 eervol ontslag verleent. Partijen hebben in die overeenkomst onder meer ook afspraken gemaakt over de

uitkerings- en pensioenrechten van appellant. Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Nadat het college en appellant op 13 februari 2015 een nadere regeling ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst hadden getroffen, heeft de gemachtigde van appellant bij brief aan de rechtbank van 26 april 2015 het inmiddels ingestelde beroep over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst ingetrokken en de rechtbank verzocht het door hem voor appellant betaalde griffierecht van

€ 165,- op zijn rekening terug te storten.

1.2.

Bij brief van 30 april 2015 aan gemachtigde [X] heeft de rechtbank de intrekking van het beroep van appellant bevestigd en in lijn met artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschreven: “Als u het beroep heeft ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan uw beroep tegemoet is gekomen, dan moet het bestuursorgaan het door u betaalde griffierecht aan u vergoeden.” De rechtbank heeft het college van de intrekking van het beroep op de hoogte gebracht.

1.3.

Na bij brieven van 1 juli 2015 en 11 augustus 2015 het college in gebreke te hebben gesteld, heeft gemachtigde [X] bij brief van 14 september 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de vergoeding van het griffierecht.

1.4.

Bij brief van 24 november 2015 heeft het college aan gemachtigde [X] bericht het griffierecht niet te zullen vergoeden.

1.5.

Het bij brief van 14 september 2015 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft blijkens artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak zowel het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de vergoeding van het griffierecht als het beroep tegen de weigering om het griffierecht te vergoeden niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Nu het college alsnog bij brief van 24 november 2015 vergoeding van het griffierecht heeft geweigerd, hoeft de rechtbank zich niet meer te buigen over de vraag of het college een besluit dient te nemen. Wel rest in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit nog de vraag of het college een dwangsom verschuldigd is. Dat is, nog daargelaten of aan de voorwaarden van artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb wordt voldaan, niet het geval omdat - kort samengevat - gemachtigde [X] , die heeft verklaard het beroep primair namens zichzelf te hebben ingediend, als gemachtigde geen zelfstandig recht heeft op vergoeding van het griffierecht en daarom geen belanghebbende is bij het verkrijgen van een besluit over vergoeding van het griffierecht. Dat gemachtigde [X] geen belanghebbende is, leidt er ook toe dat het beroep tegen de brief van

24 november 2015 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank heeft verder overwogen dat het beroep niet kan worden geacht te zijn ingediend namens appellant nu met betrekking tot appellant niet op de wettelijk voorgeschreven wijze beroep is ingesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Indiener van het beroepschrift

4.1.

Appellant heeft betoogd dat gemachtigde [X] het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over vergoeding van het griffierecht heeft ingesteld in zijn rol van gemachtigde van appellant en dat de rechtbank niet gemachtigde [X] maar appellant zelf als eiser had moeten aanmerken. Dit betoog slaagt.

4.2.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over vergoeding van het griffierecht had betrekking op het griffierecht dat is betaald voor het beroep over de uitvoering van de tussen het college en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst. Dit beroep was ingesteld en ingetrokken door gemachtigde [X] in zijn rol van gemachtigde van appellant. Dit, alsmede de verklaring van appellant van 29 oktober 2015 dat gemachtigde [X] bevoegd is namens hem om vergoeding van het griffierecht te vragen, had voor de rechtbank aanleiding moeten zijn om bij gemachtigde [X] navraag te doen of appellant als (mede-)indiener van het beroep moest worden aangemerkt en om gemachtigde [X] met toepassing van artikel 6:6 van de Awb de gelegenheid te bieden om ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6:5,

eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb de naam en het adres van appellant op te geven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.3.

Gelet op het vorenstaande merkt de Raad appellant aan als indiener van het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit over vergoeding van het griffierecht en dat ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op het op 24 november 2015 alsnog genomen besluit waarbij het college vergoeding van het griffierecht heeft geweigerd.

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit/dwangsom

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet tijdig een besluit over vergoeding van het griffierecht heeft genomen en hem daarom een dwangsom verschuldigd is. Dit betoog slaagt niet.

4.5.

Bij brief van 1 juli 2015 heeft gemachtigde [X] het college in gebreke gesteld omdat hij nog geen vergoeding van het griffierecht had ontvangen. Hij is er daarbij aan voorbijgegaan dat het college niet eerder was verzocht om het griffierecht - betaald voor het (ingetrokken) beroep van appellant over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst - te vergoeden. Gelet hierop merkt de Raad de brief van 1 juli 2015 aan als (eerste) verzoek aan het college om vergoeding van het griffierecht. Gelet op artikel 4:13 van de Awb diende het college binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een beslissing te nemen. Uitgaande van de ontvangst van het verzoek op 2 juli 2015, had het college dus tot 28 augustus 2015 om een beslissing te nemen. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb had appellant een beroepschrift vanwege het niet tijdig nemen van een besluit kunnen indienen zodra het college in gebreke was tijdig een besluit te nemen én twee weken waren verstreken na de dag waarop hij het college schriftelijk had meegedeeld dat het in gebreke was. Appellant had het college op zijn vroegst na het verstrijken van de beslistermijn, op 28 augustus 2015, in gebreke kunnen stellen. Nu hij al bij brieven van 1 juli 2015 en 11 augustus 2015, dus ruimschoots voor het verstrijken van de beslistermijn, het college in gebreke heeft gesteld, is geen sprake van een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit heeft tot gevolg dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is en dat het college alleen al hierom aan appellant geen dwangsom verschuldigd is.

Beroep tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van griffierecht

4.6.

Appellant heeft gesteld dat het college het griffierecht dat is betaald voor het beroep over de uitvoering van de tussen het college en hem gesloten vaststellingsovereenkomst moet vergoeden. Appellant heeft daartoe betoogd dat hij het beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van de nadere regeling ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Hij meent dat de in die nadere regeling overeengekomen vergoeding van de door hem gemaakte kosten ten behoeve van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst niet (mede) het griffierecht is begrepen dat is betaald voor het beroep over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft daarvoor gewezen op het feit dat de vergoeding naar zijn bankrekening zou worden overgemaakt onder vermelding van ‘belaste onkostenvergoeding’, terwijl de vergoeding van het griffierecht onbelast moet zijn. Dit betoog slaagt niet.

4.7.

In de tussen appellant en het college op 13 februari 2015 overeengekomen nadere regeling ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst is onder het kopje ‘Overige afspraken’ onder meer opgenomen: “Ter vergoeding van de door de heer [naam appellant] gemaakte kosten ten behoeve van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst d.d. 1 juli 2010 wordt eenmalig een bedrag van € 1153,- netto uitgekeerd.” Onder het kopje ‘Finale kwijting’ is opgenomen: “Partijen verlenen elkaar ieder van hun kant met de ondertekening van deze regeling finale kwijting en verklaren dat zij, behoudens de nakoming van deze regeling, niets meer van elkaar te vorderen hebben.” De Raad heeft in wat appellant naar voren heeft gebracht geen aanleiding gevonden om het standpunt van het college dat onder de “gemaakte kosten ten behoeve van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst d.d. 1 juli 2010” mede moet worden begrepen het griffierecht dat is betaald voor het beroep over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, voor onjuist te houden. De vermelding ‘belaste onkostenvergoeding’ is onvoldoende om aan te nemen dat het griffierecht niet behoort tot de “gemaakte kosten ten behoeve van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst d.d. 1 juli 2010” dan wel om een andere reden uitgezonderd is van de tussen appellant en het college overeengekomen vergoeding.

Slotsom

4.8.

Uit wat de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit opnieuw, maar op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaren en het beroep tegen het besluit van 24 november 2015 ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2015 ongegrond;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage

van € 251,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD