Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/1816 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met verzwegen autotransacties. Boete. Normale verwijtbaarheid. Zie ook 2017:2436 en 2437.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1816 PW, 16/2511 PW

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

8 februari 2016, 15/6292 (aangevallen uitspraak 1), en van 11 maart 2016, 15/9309 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Namens appellant is verschenen mr. Kuijper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 30 mei 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente

Den Haag onder andere gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW) opgevraagd. Hieruit blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 vier kentekens van auto’s op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. Appellant is op 4 februari 2015 gehoord. Hij heeft onder andere verklaard dat [naam A] (A) de auto’s via Marktplaats kocht, hij met het geld van A de auto’s bij de verkopers heeft opgehaald, de auto’s op zijn naam heeft laten registreren, waarna A de auto’s heeft geëxporteerd naar Afrika. Appellant heeft geen vergoeding van A ontvangen. Appellant heeft een verklaring overgelegd waarin A verklaart dat de auto’s om praktische redenen van tijdelijke aard op naam van appellant stonden en dat de aan- en verkoopbewijzen zich in de geëxporteerde auto’s bevinden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 februari 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluiten van

13 maart 2015 (besluit 1) en 26 maart 2015 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant over de periode van

1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 te herzien (lees: in te trekken) en de over de maanden januari, maart en juni 2014 (de maanden in geding) gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen tot een bedrag van € 2.097,41. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat drie auto’s gedurende betrekkelijk korte tijd op naam van appellant hebben gestaan en dat deze auto’s in de maanden waarin de registratie van een kenteken van een auto op zijn naam is beëindigd zijn overgedragen aan derden, door deze te laten exporteren. Appellant heeft het bezit van de auto’s en de transacties niet gemeld. Omdat appellant geen objectieve en controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten heeft verstrekt kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 7 augustus 2015 (besluit 3) heeft het college appellant een boete van

€ 1.715,89 opgelegd.

1.5.

Bij besluit van 16 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de boete nader is vastgesteld op

€ 860,-. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van en de transacties met de auto’s. Omdat er sprake is van normale verwijtbaarheid wordt de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

.1. Niet in geschil is dat in de maanden in geding drie kentekens van voertuigen gedurende betrekkelijk korte tijd op naam van appellant hebben gestaan en dat die voertuigen zijn geëxporteerd.

4.2.

Uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, volgt de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Zonder diens geldige legitimatiebewijs is een registratie op zijn naam immers niet mogelijk. Het voertuig kan vervolgens niet op naam van een derde worden geregistreerd zonder dat de betrokkene de door hem ontvangen tenaamstellingsdocumenten aan die derde ter beschikking heeft gesteld. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden. Bij tenaamstelling van een motorvoertuig ontstaat voor de betrokkene strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor verkeersboeten, een verzekeringsplicht en civiele aansprakelijkheid. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling van een motorvoertuig op naam van een persoon vrijwel steeds samenvalt met diens (gedeeltelijk) gerechtigd zijn tot dat motorvoertuig en/of het gebruik ervan. Mede gelet hierop en de waarde die ook oude motorvoertuigen kunnen hebben, is met de hier aangeduide handelstransacties voor de persoon die bij de genoemde transacties betrokken was een aanzienlijk (financieel) belang gemoeid, ook in zijn relatie tot de eerdere en latere kentekenhouder. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat zo een tussenpersoon in verband met de transacties inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven die van belang zijn voor recht op bijstand. Los van de mogelijke waarde en daarmee de verkoopprijs van de motorvoertuigen zijn daarnaast ook eventuele werkzaamheden rond de aan- en verkoop daarvan (zoals bemiddeling bij aankoop, reparaties, rijklaar maken, transport etc.) van belang alsmede de vergoeding die de betrokkene daarvoor heeft ontvangen of kon bedingen (uitspraak van

13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2436). Daarom treft de beroepsgrond van appellant dat hij de auto’s bij wijze van vriendendienst op zijn naam heeft laten registreren en hiervoor geen betaling heeft ontvangen geen doel.

4.3.

Uit 1.2 volgt dat appellant herhaaldelijk direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s. Daarmee is aannemelijk dat appellant is opgetreden als tussenpersoon, zoals bedoeld in 4.2, bij handelstransacties ten aanzien van die auto’s. Immers, naar vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) wordt de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.

4.4.

Appellant had melding moeten maken van wijzigingen in de tenaamstellingen van de vermelde auto’s, aangezien deze gegevens, gelet op het voorgaande, onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellant heeft van zijn herhaaldelijke, directe betrokkenheid bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant, anders dan hij heeft gesteld, de inlichtingenverplichting in verband met de autohandel heeft geschonden. De stelling van appellant dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij niet de intentie heeft gehad het college te benadelen, slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij in het kader van de intrekking niet relevant is of appellant te verwijten valt dat hij informatie niet heeft verstrekt.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen boekhouding of administratie bijgehouden en evenmin stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarde van de desbetreffende auto’s is geweest. Daarom kan niet worden vastgesteld of appellant over de maanden waarin die transacties hebben plaatsgevonden recht had op (aanvullende) bijstand. Dat er, zoals appellant heeft betoogd, geen officiële aan- of verkoopbewijzen zijn aangemaakt, moet voor zijn rekening en risico blijven.

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834). In wat appellant heeft aangevoerd is geen dringende reden als hiervoor bedoeld gelegen.

4.8.

Gelet op 4.3 tot en met 4.7 was het college gehouden de bijstand over de maanden in geding in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Boete (aangevallen uitspraak 2)

4.10.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat bij Wet van 23 augustus 2016 tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete (Stb. 2016, 318), in werking getreden op

1 januari 2017, artikel 18a van de Participatiewet (PW) is gewijzigd in lijn met de rechtspraak van de Raad. Tevens is per dezelfde datum in werking getreden het Besluit van 19 september 2016 houdende wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met de mogelijkheid van een waarschuwing en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep

(Stb. 2016, 342) (Boetebesluit) in werking getreden.

4.11.

.11. Op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn bij wijziging van wetgeving nadat een overtreding is begaan de meest gunstige bepalingen voor de overtreder van toepassing. Daar waar artikel 18a van de PW en het Boetebesluit per 1 januari 2017 voorzien in een lichtere bestraffende sanctie zal hieraan toepassing moeten worden gegeven.

4.12.

Artikel 18a van de PW, voor zover in dit geding van belang, luidt als volgt:

“1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of (…). Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en (…) niet of niet behoorlijk zijn meegedeeld (…) en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en (…) niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld (…) en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. […]”

4.13.

De in artikel 18a, vierde en tiende lid, van de PW bedoelde algemene maatregel van bestuur, op grond waarvan nadere regels worden gesteld over de hoogte van de boete, is het Boetebesluit. Op grond van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van het Boetebesluit wordt de boete bij opzet vastgesteld op 100% van het benadelingsbedrag, bij grove schuld op 75%, bij normale verwijtbaarheid op 50% en bij verminderde verwijtbaarheid op 25% van het benadelingsbedrag. Op grond van het negende lid van dit artikel dient het bestuursorgaan de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. Het bestuursorgaan kan zich voor het bewijs baseren op door hem gestelde en door betrokkene niet of niet voldoende weerlegde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten. Op grond van het tiende lid van dit artikel berust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. In artikel 2a van het Boetebesluit zijn criteria opgenomen die bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval leiden tot verminderde verwijtbaarheid, respectievelijk tot grove schuld of opzet.

4.14.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting over de in 1.3 genoemde maanden geen recht op bijstand heeft. Gelet op artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden brengt dit echter niet mee, zoals blijkt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in dit geding over de bestraffende maatregel (maatregel) en de boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Dit betekent dat de aan deze bestraffende sancties ten grondslag gelegde feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang moeten worden beoordeeld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) is de bewijslast bij bestraffende sancties als hier aan de orde zwaarder dan die bij het hanteren van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Het college dient dan ook aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete en een maatregel op te leggen. Hierbij is het volgende van belang.

4.14.1.

Het college heeft aan de hand van de gegevens van de RDW aangetoond dat in de maanden in geding voertuigen op naam van appellant hebben gestaan en dat zich wijzigingen in de tenaamstelling hebben voorgedaan. Daaruit vloeit voort dat appellant direct betrokken is geweest bij transacties van diverse auto’s. Gelet op wat in 4.2 tot en

met 4.4 is overwogen, is een en ander onmiskenbaar van belang voor de bijstandsverlening. Appellant heeft echter verzuimd daarvan melding te maken bij het college. Daarmee heeft het college aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.15.

Hiermee is in beginsel voldaan aan de voorwaarde van artikel 18a, eerste lid, eerste volzin, van de PW om een boete op te leggen.

4.16.

Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het overdragen van op naam geregistreerde auto’s aan een derde relevant is voor (de voortzetting van) de bijstand. De schending van de inlichtingenverplichting is appellant dan ook te verwijten.

4.17.

Er is geen sprake van verzwarende omstandigheden, noch van verminderde verwijtbaarheid, zodat het college bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid terecht is uitgegaan van ‘normale’ verwijtbaarheid.

4.18.

Onder het benadelingsbedrag, zoals volgt uit artikel 18a, tweede lid, van de WWB, ongewijzigd overgenomen in artikel 18a, tweede lid, van de PW, wordt verstaan het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

4.19.

Het college heeft aan de intrekking en terugvordering van bijstand over de maanden waarin de handelstransacties zich hebben voorgedaan ten grondslag gelegd dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet (meer) is vast te stellen.

4.20.

Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag met inachtneming van 4.18 het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel gesteld worden op het nettobedrag dat het college wegens dezelfde schending van de inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Dit neemt niet weg dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn het benadelingsbedrag op een ander bedrag vast te stellen dan het bedrag dat het college van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Dat is hier echter niet aan de orde. Appellant heeft ook in dit hoger beroep nagelaten financiële en andere gegevens te verstrekken over de aankoop en de verkoop van de auto’s alsmede over zijn werkzaamheden en betrokkenheid daarbij, zodat het recht op bijstand ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen.

4.21.

Uit 18a, eerste en tweede lid, van de PW in samenhang met de in 4.17 vastgestelde mate van verwijtbaarheid volgt dat de boete wordt vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

4.22.

Appellant heeft de hoogte van de boete niet bestreden en ook de Raad is van oordeel dat de door het college opgelegde boete evenredig is.

4.23.

Uit 4.10 tot en met 4.22 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 eveneens moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Smolders

HD