Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/7312 NIOAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag IOAZ. Gewezen zelfstandige. Anders dan college stelt is wel voldaan aan criterium van 1225 uur per jaar . "Wachturen'' voor klanten tellen mee voor bedrijfsuren. Aan de voorwaarde ''ononderbroken rechtmatig bedrijf uitoefenen'' staat een verblijf van 3 maanden in buitenland niet in de weg. Opdracht nemen nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen 2
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/367

Uitspraak

16 7312 NIOAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 november 2016, 16/1155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van ISD Noordenkwartier (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Betrokkene heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Tellinga. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. F.M. Meis, advocaat, en [naam] , boekhouder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene exploiteert sinds 1 mei 1987 een [bedrijf]

(bedrijf). In december 2009 is betrokkene getroffen door een hersenbloeding, waarvan hij blijvende schade ondervindt.

1.2.

Bij besluit van 10 september 2013 heeft appellant een aanvraag van betrokkene om uitkering ingevolge de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) toegekend en daarbij gewezen op de voorwaarde dat betrokkene het bedrijf binnen anderhalf jaar beëindigt. Om uiteenlopende redenen heeft betrokkene deze termijn laten verlopen.

1.3.

Op 3 juli 2015 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om IOAZ-uitkering gedaan. Desgevraagd heeft betrokkene van het beoordelingsjaar 2014 alle facturen en kasmutaties overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft appellant de aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene niet heeft voldaan aan het zogeheten urencriterium. Hangende de bezwaarprocedure heeft betrokkene nog overgelegd een urenregistratie (1525,75 uur) voorzien van een toelichting, grootboekmutatiekaarten, btw-aangiften, bewijs van de openingstijden, voorbeelden van tijdsbesteding, bankafschriften en facturen.

1.5.

Appellant heeft het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2015 bij besluit van

2 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat hij overeenkomstig de ingediende urenstaat 1525,75 uur heeft besteed aan het bedrijf.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of betrokkene voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het bedrijf bepalend is of hij heeft voldaan aan het urencriterium als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij daaraan heeft voldaan, gelet op de door hem overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting. Betrokkene was tijdens de openingstijden in het bedrijf aanwezig. Daarbij gelden uren waarin betrokkene moest wachten op klanten als uren die betrokkene daadwerkelijk aan het bedrijf besteedt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2014 aan het urencriterium heeft voldaan.

3.2.

Bij de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van betrokkene op 23 december 2016 zijn partijen overeengekomen dat appellant betrokkene niet zal tegenwerpen dat hij niet binnen een termijn van anderhalf jaar na de aanvraag van 3 juli 2015 om een IOAZ-uitkering zijn bedrijf heeft beëindigd, indien betrokkene binnen een termijn van anderhalf jaar na een eventueel positief besluit op die aanvraag zijn bedrijf alsnog beëindigt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de IOAZ, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, wordt onder gewezen zelfstandige verstaan de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd.

4.2.

Artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ bepaalt dat de gewezen zelfstandige aangewezen was op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Onder urencriterium wordt, voor zover van belang, verstaan het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belanghebbende als ondernemer winst geniet.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of appellant voldeed aan het urencriterium, waarbij van belang is dat dit criterium betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan de aanvraag om een IOAZ-uitkering (zie de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1248). Niet in geschil is dat dit het jaar 2014 is.

4.4.

Ter zitting heeft appellant zijn beroepsgrond nader uiteengezet en zich op het standpunt gesteld dat, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2014 minimaal 1225 uren aan zijn bedrijf heeft besteed en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aangewezen was op arbeid in zijn eigen bedrijf. Appellant wijst erop dat betrokkene wellicht deels thuis op klanten wachtte, dat de urenadministratie later in 2015 was opgemaakt, dat een discrepantie bestaat tussen de urenregistratie en de agenda van betrokkene, dat het verschil tussen het aantal declarabele uren en het aantal gestelde productieve uren erg groot is en dat betrokkene begin 2014 ongeveer drie maanden in Thailand heeft verbleven. De beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.5.

Betrokkene heeft een overzicht gegeven van de openingstijden van zijn bedrijf, een eenmanszaak. Betrokkene heeft gesteld dat hij tijdens de openingsuren altijd aanwezig is geweest in zijn bedrijf. Ter ondersteuning van die stelling heeft betrokkene stukken overgelegd, zoals een print met vermelding van de openingstijden op de website

[website] en de urenregistratie met toelichting. Appellant heeft niet met concrete onderzoeksbevindingen weerlegd dat betrokkene gedurende de openingstijden in zijn bedrijf aanwezig was.

4.6.

Het bedrijf van betrokkene was geopend op maandag tot en met vrijdag gedurende

zevenenhalf uur en op zaterdag gedurende vier uur. Betrokkene woonde weliswaar naast zijn bedrijf, maar werkte niet vanuit huis. Betrokkene stelt dat hij vanuit de woning geen zicht heeft op het bedrijf en dat vanuit de woning geen doorgang aanwezig is naar het bedrijf. Betrokkene heeft hiervoor verwezen naar een zich onder de gedingstukken bevindende foto. Appellant heeft dit niet met concrete onderzoeksbevindingen weerlegd. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat betrokkene tijdens de openingsuren in zijn bedrijf aanwezig was. Betrokkene is van 1 januari 2014 tot 27 maart 2014 in Thailand geweest, zodat 39 weken resteren in 2014. Uitgaande van ongeveer 40 uur per week aanwezigheid in zijn bedrijf, voldoet betrokkene ruimschoots aan het urencriterium. Dit is ook het geval indien rekening wordt gehouden met de dagen waarop betrokkene kruisen in zijn agenda heeft gezet en deze dagen in mindering worden gebracht. De omstandigheid dat betrokkene veel tijd doorbracht in zijn bedrijf met het wachten op klanten als gevolg van een teruglopend aanbod van werk, maakt niet dat deze ‘wachturen’ niet gerekend moeten worden tot de aan het bedrijf bestede uren. Uren van aanwezigheid in een bedrijf, in afwachting van klanten, zijn aan het bedrijf bestede uren. Voor dit oordeel is steun te vinden in de rechtspraak (zie bijvoorbeeld het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 maart 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH7508).

4.7.

Uit 4.6 volgt dat betrokkene in 2014 heeft voldaan aan het urencriterium als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ. Daarmee is gegeven dat betrokkene was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de IOAZ. De overige in 4.4 genoemde door appellant opgeworpen omstandigheden kunnen niet afdoen aan de conclusie dat betrokkene heeft voldaan aan het urencriterium. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg aan dit oordeel wordt gegeven. Desgevraagd heeft appellant bij brief van 23 juni 2017 laten weten dat betrokkene aan de overige voorwaarden voor het recht op IOAZ-uitkering voldoet behoudens dat naar de voorwaarden als neergelegd in artikel 5, eerste en tweede lid, aanhef en onder 2 en 3, van de IOAZ geen onderzoek is gedaan, zodat appellant daarover geen uitsluitsel kon geven. Deze voorwaarden zien op het inkomen per maand na beëindiging van het bedrijf, op het inkomen gedurende de laatste drie boekjaren en op het te verwachten inkomen per jaar bij voortzetting van het bedrijf. Ter zitting heeft appellant erkend dat gelet op de voorhanden gegevens, zoals belastingaangiften en belastingaanslagen van de laatste jaren, het voldoen aan deze voorwaarden voor betrokkene naar alle waarschijnlijkheid geen belemmeringen zal opleveren. Appellant heeft ter zitting echter te kennen gegeven dat, gelet op het tijdelijke verblijf begin 2014 in Thailand, betrokkene mogelijk niet heeft voldaan aan de voorwaarde, neergelegd in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder 1, van de IOAZ, inhoudende dat hij onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag gedurende drie jaar ononderbroken rechtmatig een bedrijf heeft uitgeoefend.

4.9.

In de IOAZ is niet gedefinieerd wat in het kader van die wet moet worden verstaan onder de term “ononderbroken rechtmatig uitoefenen van een bedrijf”. Vaststaat dat het bedrijf van betrokkene steeds ingeschreven heeft gestaan bij de Kamer van Koophandel en dat de bedrijfsuitoefening niet is gestaakt. Van een onderbreking van de rechtmatige uitoefening van het bedrijf is dan ook geen sprake. De enkele omstandigheid dat betrokkene gedurende ongeveer drie maanden in Thailand heeft verbleven maakt dat niet anders. Bovendien heeft betrokkene onweersproken gesteld dat hij gedurende genoemd verblijf in Thailand werkzaamheden ten behoeve van zijn bedrijf is blijven verrichten.

4.10.

Gelet op 3.2 en 4.7 tot en met 4.9 staat appellant niets meer in de weg om een positief besluit te nemen op de aanvraag van betrokkene, zoals appellant ook eerder bij besluit van

10 september 2013 heeft gedaan naar aanleiding van de eerste aanvraag van betrokkene. Indien betrokkene binnen anderhalf jaar na dat te nemen positief besluit zijn bedrijf beëindigt, voldoet hij aan de voorwaarden voor een IOAZ-uitkering. Appellant zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 990,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant thans wordt opgedragen

binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen

met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij de

Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD