Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/1485 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Verzwegen hennepstekkerij. Opzet Draagkracht : inkomen boven bijstandsniveau wordt geheel meegenomen bij vaststellen hoogte boete. Boete 7000 euro evenredig.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/311
USZ 2017/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1485 PW, 16/1486 PW, 17/1604 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 februari 2016, 15/4986 en 15/6363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 18 oktober 2016 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2016:4003).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 2 december 2016 een nieuw besluit op het bezwaar (nader besluit) genomen.

Namens appellante heeft mr. J. Oversluizen, advocaat, bij brief van 13 januari 2017 haar zienswijze gegeven.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Oversluizen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

1.1.

Het nader besluit zal met toepassing van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling worden betrokken.

Intrekking en terugvordering

2. Bij zijn tussenuitspraak heeft de Raad - anders dan de rechtbank - geoordeeld dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de datum van de start van de hennepstekkerij op 5 april 2014 moet worden gesteld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de inschatting van de fraudespecialist van [bedrijf] , [naam] , in zijn “rapportage diefstal energie” van 29 december 2014, waarop het college haar besluitvorming heeft gebaseerd, niet deugdelijk althans niet geheel navolgbaar is gemotiveerd en onderbouwd.

3. Van de zijde van het college is vervolgens nadere informatie ingewonnen bij [naam] . Deze heeft daarop bij brief van 28 november 2016 gereageerd en op 30 november 2016 telefonisch nog een nadere toelichting gegeven. Daaruit komt, voor zover van belang, naar voren dat het hier een hennepstekkerij betreft, zodat - anders dan bij een hennepkwekerij - geen kweekcyclus van 70 dagen van toepassing is. De stekken worden dagelijks gedurende een periode van drie tot zes maanden afgeknipt waarna nieuwe moederplanten worden neergezet. De moederplanten en de afgeknipte stekken staan 18 uur per dag onder brandende lampen totdat zij vervangen respectievelijk verkocht worden. Bij de ontmanteling van de stekkerij in december 2014 is een kladblokbriefje aangetroffen, waaruit valt af te leiden dat er in april 2014 al activiteiten in de kwekerij/stekkerij werden ontplooid. Een kopie van een wat vage foto van dit kladblokblaadje was destijds al als bijlage bij de “rapportage diefstal energie” gevoegd. De eerstgenoemde datum op dit - later in een duidelijker leesbare versie

overgelegd - blaadje is 5 april 2014 met de aantekening: “11 grote & 21 st.”, waarmee volgens [naam] wordt gedoeld op 11 moederplanten en 21 stekjes.

4. Desgevraagd heeft appellante, geconfronteerd met de in 3 bedoelde kladbloknotitie, ter zitting van de Raad bevestigd dat zij op 5 april 2014 al bezig was met het ontplooien van activiteiten in en rond de hennepstekkerij.

5. Gelet op 3 en 4 acht de Raad thans voldoende onderbouwd dat 5 april 2014 als ingangsdatum van de intrekking en terugvordering van de bijstand wordt aangehouden. Dat appellante vanaf 5 april 2014 tot de datum van ontmanteling van de hennepstekkerij op

17 december 2014 tussentijds gedurende een substantiële periode niet actief zou zijn betrokken bij de hennepstekkerij heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

6. Uit 2 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de intrekking en terugvordering, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit 1 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en, gelet op 3 tot en met 5, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Dit betekent dat het college de bijstand van appellante terecht over de periode van 5 april 2014 tot en met

17 december 2014 heeft ingetrokken.

7. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

8. Bij het nader besluit heeft het college de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering gehandhaafd op 5 april 2014 en voor de motivering daarvan verwezen naar de nader ingewonnen informatie van [naam] , zoals weergegeven onder 3. Gelet op 6 en 7 zal de Raad het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaren.

Boete

9. Bij besluit van 8 mei 2015 heeft het college aan appellante een boete opgelegd van

€ 7.686,85. Dit bedrag stemt overeen met 100% van het netto bedrag dat in de periode van

5 april 2014 tot en met 17 december 2014 teveel aan appellante is verstrekt. De rechtbank heeft het bedrag van de boete gematigd tot € 7.000,-. In hoger beroep heeft appellante daartegen aangevoerd dat de matiging van het bedrag van de boete tot € 7.000,- niet toereikend is onderbouwd en dat voorts geen rekening is gehouden met het gebrek aan financiële draagkracht.

10. Naar inmiddels vaste rechtspraak (uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816) kunnen de financiële omstandigheden van de betrokkene aanleiding geven de vast te stellen boete (verder) te matigen. Uit de ter zitting gegeven toelichting op haar huidige financiële situatie is naar voren gekomen dat appellante thans een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt van circa € 1.250,- per maand, waarop een bedrag van € 250,- wordt ingehouden ter aflossing van een schuld en dat zij alleenstaand is. Nu ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting onweersproken sprake is van opzet, moet bij het vaststellen van de boete in acht worden genomen dat appellante in staat is tot het betalen van een boete ter hoogte van 24 maal 10% van de alleenstaandennorm (24 x € 98,28) plus het gedeelte van het inkomen dat boven deze norm uitstijgt (24 x € 1.250,- -/- € 982,79). Dit betekent dat in dit geval geen grond bestaat de door de rechtbank tot € 7.000,- gematigde boete verder te matigen omdat deze niet evenredig zou zijn.

11. Uit 10 vloeit voort dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient in zoverre dan ook te worden bevestigd.

Proceskosten

12. Geen aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten in beroep omdat de rechtbank de proceskosten in beroep al heeft vergoed in verband met het beroep tegen de boete en het beroep tegen de intrekking en terugvordering en het beroep tegen de boete moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken. Er bestaat wel aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.732,50 (3,5 punt: 1 punt hoger beroepschrift, 0,5 punt schriftelijke zienswijze en 2 punten verschijnen ter zitting) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de intrekking en de

terugvordering;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 juli 2015 en laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 december 2016 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van

het bedrag van de boete;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.732,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Mansourova

HD