Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15/3958 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2803, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien en terugvorderen. Verlagen norm met 10% i.v.m. kosten kunnen delen met inwonend kind met inkomen. Beroep op gelijkheidsbeginsel en hardheid slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3958 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 april 2015, 14/7056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ben Ahmed, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.V. van Blitterwijk, kantoorgenoot van mr. Ben Ahmed. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L. Jagt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 18 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden met een gemeentelijke toeslag. De thuiswonende dochter van appellant, geboren op 1 april 1992, ontving in 2013 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

(Wajong-uitkering) van netto € 656,07 per maand. Daarnaast ontving zij van januari 2013 tot en met juli 2013 inkomsten uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) van € 393,59 per maand, van augustus 2013 tot en met december 2013

€ 395,67 per maand en van januari 2014 tot en met juni 2014 maandelijks € 403,14.

1.2.

Bij besluit van 7 juni 2014 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2014 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.714,90 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college het besluit van 7 juni 2014 ingetrokken, de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2013 tot en met 30 juni 2014 herzien en de over die periode teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.115,60 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de hoogte van de aan appellant toegekende bijstand wordt verlaagd met 10% omdat het inkomen van zijn dochter meer bedraagt dan het normbedrag van € 618,29 als bedoeld in de Wsf 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 26 van de WWB kan het college de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar verlagen, voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van

18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in

artikel 3.18 van de Wsf 2000.

4.2.

Op grond van artikel 3.18 van de Wsf 2000, zoals deze bepaling ten tijde hier van belang luidde, bedroeg het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs voor thuiswonende studenten in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 € 618,29 per maand.

4.3.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30.

4.4.

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad in de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de omvang van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Op grond van het vierde lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de raad van de gemeente Rotterdam de Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012 (verordening) vastgesteld.

4.5.

In artikel 4, aanhef en onder a, van de verordening is bepaald dat de verlaging van de gezinsnorm 10% bedraagt voor het gezin in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, anders dan een thuisinwonend kind als bedoeld in artikel 26 van de WWB.

4.6.

Op grond van artikel 6 van de verordening kan het college in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken voor zover toepassing, gelet op de bedoelingen van de wet en de verordening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.7.

Niet in geschil is dat het inkomen van de dochter uit de Wajong-uitkering in de te beoordelen periode meer dan het normbedrag van € 618,29 als bedoeld in de Wsf 2000 bedroeg en dat de verlaging van de bijstand van appellant met 10% van de norm voor gehuwden in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder a, van de verordening.

4.8.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel op de grond dat andere gemeenten de norm in een dergelijke situatie niet verlagen, slaagt niet. De WWB voorziet immers in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering van de aan de colleges toekomende bevoegdheid is daarmee gegeven.

4.9.

Appellant voert aan dat het college wegens bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in de artikel 6 van de verordening. De hoge kosten die zijn dochter had in verband met haar handicap en studie, de omstandigheid dat zij niet heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud en de geringe overschrijding van het normbedrag hadden aanleiding moeten geven de hardheidsclausule toe te passen.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft van de gestelde kosten van zijn dochter geen gegevens overgelegd. Maar ook indien van de gestelde kosten wordt uitgegaan, laten deze kosten onverlet dat appellant de periodiek terugkerende kosten, zoals huur en vaste lasten, kan delen met zijn dochter. Bij het delen van een woning is immers sprake van schaalvoordelen. Dat de dochter volgens appellant geen financiële bijdrage heeft geleverd is niet van belang omdat uitsluitend van belang is of hij de kosten met zijn dochter had kunnen delen. Voorts wordt de stelling van appellant dat sprake is van een geringe overschrijding van het normbedrag niet gevolgd. De dochter ontving naast haar inkomsten uit een

Wajong-uitkering (€ 656,07), die gelegen waren boven het normbedrag, immers ook studiefinanciering van ongeveer € 400,- per maand.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD