Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
16/1639 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in hoger beroep overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding om de medische beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit 2016 en 2017 wordt naar voren gebracht dat een detoxopname in november 2015 geen grond kan zijn voor het wijzigen van de conclusies over de belastbaarheid van appellant ten tijde van belang. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Ten tijde van de datum in geding is niet gebleken van een opname of behandeling voor zijn alcoholverslaving, dan wel van uit zijn verslaving voortvloeiende gebreken. Geen aanknopingspunten dat de PTSS ook al aanleiding gaf tot beperkingen op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1639 ZW

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

21 januari 2016, 15/556 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. Kempe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere gegevens in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kempe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellant heeft na zijn ziekmelding op 17 juni 2013 wegens allergieën en concentratieproblemen met ingang van 5 november 2013, nadat zijn arbeidsovereenkomst op 4 november 2013 was geëindigd, ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellant voor die ziekmelding heeft verricht, was expeditie medewerker voor gemiddeld 32,75 uur per week.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellant op 23 mei 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
23 mei 2014. Een arbeidsdeskundige heeft blijkens zijn rapport van 19 juni 2014 functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 92,75% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 juni 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 20 juli 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten in verband met de medische klachten die voortvloeien uit een ernstige vorm van verslavingsproblematiek en een huidaandoening. Appellant heeft de ernst van de verslavingsproblematiek uit schaamte niet eerder durven melden en zich slechts met depressieve klachten en zijn huidaandoening tot de huisarts gewend. Onderliggend bestond echter de langdurige verslavingsproblematiek met alle beperkingen die daaruit voortvloeien. Ten onrechte hebben de verzekeringsartsen de psychische gezondheidssituatie niet bij de beoordeling betrokken. Ook is er gelet op de grote vermoeidheidsklachten van appellant, die voortvloeien uit zijn verslavingsproblematiek, ten onrechte geen urenbeperking gesteld. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van
30 december 2015 van C. Hovius, klinisch psycholoog, en een verklaring van 19 april 2016 van een medewerkster van De Hoop GGZ dat appellant gedurende diverse maanden gelegen in het tijdvak van 19 april 2004 tot 3 maart 2008 bij De Hoop in behandeling is geweest, inclusief een eindverslag behandeling van 18 mei 2005 van De Hoop GGZ. Tevens zijn brieven overgelegd van 9 maart 2016, 22 oktober 2016, 14 november 2016 en
28 februari 2017 van M. Mulder, psychiater, verbonden aan de Parnassia Groep en huisartsenjournaals over de periode 1 december 2011 tot 1 maart 2016. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de gegevens afkomstig van de behandelend sector reden zijn om hem door een onafhankelijk deskundige te laten onderzoeken. Appellant heeft op de zitting een recente brief van de huisarts voorgelezen en de strekking van die brief is dat appellant in 2014 verminderd belastbaar is geweest. Over zijn verblijfplaats heeft appellant verklaard dat hij perioden heeft gekend van dakloosheid, verblijf bij het Leger des Heils en verblijf bij zijn broer.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 mei 2016, 1 juni 2016, 28 november 2016 en 9 maart 2017 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het juridisch kader wordt verwezen naar overweging 2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Het Uwv heeft meegedeeld niet te kunnen reageren op de ter zitting door appellant meegebrachte stukken en om die reden zijn die stukken, een brief van de huisarts en een overzicht van zijn verblijfsplaatsen, niet geaccepteerd. Appellant is zoals in 3.1 vermeld, in de gelegenheid gesteld de strekking daarvan mee te delen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt een verslaving aan verdovende middelen en/of alcohol op zich niet als een ziekte of gebrek aangemerkt. Indien echter uit die verslaving gebreken voortvloeien, dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat wel sprake is van een ziekte of gebrek (zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0518).

4.4.

Het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Appellant heeft bij zijn ziekmelding geen verslavingsproblemen genoemd. Op 14 januari 2014 heeft appellant bij een arbeidsdeskundige verklaard dat hij verslaafd is geweest maar dat hij inmiddels twee jaar “droog staat”. In de door appellant in het kader van zijn re-integratie ingevulde ‘Vragenlijst ziekte en
re-integratie’ heeft hij geen melding gemaakt van verslavingsproblematiek en dit heeft hij evenmin gedaan bij de arbeidsdeskundige op 18 juni 2014. Appellant heeft op 23 mei 2014 tegenover de verzekeringsarts gesteld dat zijn klachten voortkomen uit zijn allergieën en dat er geen verslavingsproblemen meer zijn. Op 14 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat er sinds de laatste maanden sprake is van een zeer ernstige terugval in zijn verslavingen. Op dat moment heeft appellant nog geen hulp gezocht voor zijn verslaving. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

4.5.

De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts, van klinisch psycholoog Hovius en van de thans behandelend psychiater Mulder geeft geen aanleiding om de medische beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. Volgens klinisch psycholoog Hovius is geen sprake van een depressieve stoornis maar hangen de stemmingsklachten van appellant samen met de uitzichtloze situatie waarin hij verkeert. Volgens de brieven van psychiater Mulder van 9 maart 2016, 22 oktober 2016, 14 november 2016 en 28 februari 2017 was de verslavingsproblematiek in november 2015 zo ernstig, dat een opname noodzakelijk was. Na de detoxopname en het stoppen van het gebruik, bleven depressieve klachten aanwezig. De verslaving heeft al twaalf jaar bestaan. Bij appellant is voorts PTSS vastgesteld. Mulder heeft geconcludeerd dat sprake is van een langdurig patroon van verslavingsproblematiek, angst en stemmingsklachten en dat deze ook aanwezig zijn geweest in de periode van 2013 en 2014. In zijn ervaring heeft problematiek van verslaving, angst en stemmingsklachten wel degelijk invloed op de belastbaarheid.

4.6.

In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 mei 2016, 1 juni 2016, 28 november 2016 en 9 maart 2017 wordt naar voren gebracht dat een detoxopname in november 2015 geen grond kan zijn voor het wijzigen van de conclusies over de belastbaarheid van appellant ten tijde van belang. Het al twaalf jaar bestaan van de problematiek bevestigt volgens deze verzekeringsarts dat die problematiek niet altijd aan arbeid in de weg heeft gestaan. Het standpunt van psychiater Mulder dat het hebben van stemmingsklachten, angsten en verslavingsproblematiek van invloed is op de belastbaarheid in 2013 en 2014, betreft geen geïndividualiseerde waarneming over de belastbaarheid van appellant op 20 juli 2014.

4.7.

Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. De verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant immers gezien kort voor de datum in geding en de onderzoeksbevindingen geven blijk van een vitale man waarbij bewustzijn, oriëntatie, aandacht en geheugen ongestoord zijn. Lijdensdruk en ziekte-inzicht worden aanwezig geacht. De bij appellant bestaande schaamte wordt genoemd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit heeft er volgens appellant toe geleid dat hij niet eerder een melding maakte van zijn problematiek. De objectieve gegevens zijn echter van doorslaggevend belang. Zo is appellant niet eerder dan in november 2014 door de huisarts verwezen naar GGZ en eerst in 2015 was de verslavingsproblematiek dermate ernstig dat een opname in november 2015 noodzakelijk was. Ten tijde van de datum in geding is niet gebleken van een opname of behandeling voor zijn alcoholverslaving, dan wel van uit zijn verslaving voortvloeiende gebreken. Verder zijn in de ingebrachte stukken geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de PTSS ook al aanleiding gaf tot beperkingen op de datum in geding. De ingebrachte medische informatie geeft geen aanknopingspunten voor meer of andere beperkingen op de datum in geding.

4.8.

Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit zodat er geen grond is voor benoeming van een deskundige.

4.9.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de eerstejaars ZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.9 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door F.M.S. Requisizione, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.

(getekend) F.M.S. Requisizione

(getekend) R.H. Budde

AB