Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2935

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
15/2736 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ereschuldregeling in de vorm van een eenmalige bijzondere uitkering. De beoordeling van de aanspraak op de eenmalige bijzondere uitkering is een administratieve beoordeling. Een eigenstandig medisch onderzoek vindt in het kader van die beoordeling niet plaats. Appellant heeft een bijzondere uitkering ontvangen gerelateerd aan zijn mate van invaliditeit met dienstverband en het ontbreken van een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid maakt dat nog geen onredelijke uitkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2736 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 maart 2015, 14/7116 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.J. Engels Linssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is gewezen militair en ontvangt een militair invaliditeitspensioen wegens een psychische aandoening van traumatische aard waarvoor dienstverband is aanvaard. Vanaf

1 oktober 2013 is zijn mate van invaliditeit vastgesteld op 20%, waarbij sprake is van een eindtoestand.

1.2.

Bij besluit van 26 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2014 (bestreden besluit), heeft de minister aan appellant een bijzondere uitkering van € 25.000,- toegekend op grond van de Regeling Ereschuld. De hoogte van deze uitkering is bepaald door het vastgestelde invaliditeitspercentage te nemen van het normbedrag van € 125.000,-.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Bij Koninklijk Besluit van 19 juni 2014 (Stb. 2014, 251) is, voor zover hier van belang, het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) gewijzigd. Bij deze wijziging is onder meer artikel 21a (Bijzondere uitkering) ingevoegd. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 juni 2012. Met de invoering van

artikel 21a van het Besluit AO/IV is beoogd om een ereschuldregeling in de vorm van een eenmalige bijzondere uitkering in het leven te roepen als erkenning en waardering voor de inzet van veteranen tijdens veelal gevaarlijke omstandigheden waarbij zij het risico hebben gelopen om het leven te komen of gewond te raken.

3.2.1.

Op grond van artikel 21a, eerste lid, van het Besluit AO/IV heeft de gewezen militair die voor 1 juli 2007 is ontslagen en bij wie als gevolg van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie op een daartoe voor 1 juni 2012 gedane eerste aanvraag, invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, aanspraak op een eenmalige bijzondere uitkering. Op grond van het tweede lid is het bedrag van de bijzondere uitkering gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van invaliditeit. Op grond van het vierde lid is het bedrag van de bijzondere uitkering in afwijking van het tweede lid gelijk aan een percentage van de grondslag overeenkomend met de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband indien deze hoger is dan de mate van invaliditeit met dienstverband.

3.2.2.

Op grond van artikel 22 van het Besluit AO/IV is de minister bevoegd om in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van dit besluit tot een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van dit besluit overeenkomt.

3.3.

Het besluit van 26 augustus 2013 en het bestreden besluit berustten, in afwachting van opname van de Regeling Ereschuld in de regelgeving, nog op die regeling als beleid van de minister. Na uitgifte van het in 31 genoemde Koninklijk Besluit is artikel 21a van het Besluit AO/IV op 5 juli 2014 in werking getreden met terugwerkende kracht tot en met 1 juni 2012. Anders dan de rechtbank heeft overwogen moeten de genoemde besluiten daarom worden geacht te zijn gebaseerd op artikel 21a van het Besluit AO/IV, zijnde een algemeen verbindend voorschrift.

3.4.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de minister hem met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 22 van het Besluit AO/IV de eenmalige bijzondere uitkering had moeten toekennen op basis van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is echter nooit, zoals hij onderkent, op medisch objectieve wijze vastgesteld. Anders dan hij betoogt, is het ook niet aan de minister om dat alsnog te doen. De beoordeling van de aanspraak op de eenmalige bijzondere uitkering is een administratieve beoordeling waarbij wordt uitgegaan van de in het kader van het militair invaliditeitspensioen vastgestelde mate van invaliditeit met dienstverband dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid met dienstverband, indien die laatste hoger is. Een eigenstandig medisch onderzoek vindt in het kader van die beoordeling niet plaats. In de omstandigheid dat appellant als zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten, waardoor een mate van arbeidsongeschiktheid nimmer is vastgesteld, ziet de Raad geen reden te oordelen dat de minister met toepassing van artikel 22 van het Besluit AO/IV die vaststelling alsnog had moeten (laten) verrichten dan wel anderszins een voor appellant gunstiger beslissing had moeten nemen dan in feite is genomen. Appellant heeft volgens de hoofdregel van artikel 21a, tweede lid, van het Besluit AO/IV een eenmalige bijzondere uitkering ontvangen gerelateerd aan zijn mate van invaliditeit met dienstverband. Het ontbreken van een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid maakt dat nog geen onredelijke uitkomst. Verder heeft appellant ter zitting erkend dat de door hem genoemde gevallen waarin buiten de Regeling Ereschuld om bijzondere uitkeringen zijn toegekend, geen grond kunnen zijn om in zijn geval toepassing van artikel 22 van het Besluit AO/IV te rechtvaardigen. De conclusie

- die ook de rechtbank heeft getrokken - is dat de minister appellant op goede gronden een eenmalige bijzondere uitkering heeft toegekend gebaseerd op zijn mate van invaliditeit met dienstverband.

3.5.

Uit 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, gelet op wat in 3.3 is overwogen, met verbetering van gronden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD