Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
10/4381 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene was op grond van artikel 2 van KB 230 en KB 24 uitgesloten van de verzekering ingevolge de AOW. Prejudiciële beslissing. De door het Hof in zijn antwoorden genoemde bepalingen van het Unierecht verzetten zich niet tegen de uitsluiting van betrokkene van de verzekering voor de AOW in de periode in geding en de weigering van de Svb om aan betrokkene een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Bij het besluit van 14 oktober 2008 is terecht de weigering van het pensioen gehandhaafd. De redelijke termijn is zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden en komt ten laste van de Staat en de Svb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/1717
RSV 2017/249
Viditax (FutD), 30-08-2017
FutD 2017-2193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4381 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 juli 2010, 08/4547 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Betrokkene] , Verenigde Staten (betrokkene)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van veiligheid en justitie) (Staat)

Datum uitspraak: 4 augustus 2017

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A. van der Weerd. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van Zijtveld en mr. A. Roukema, advocaten.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

De Raad heeft op 6 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3233 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een drietal vragen.

Bij arrest van 27 oktober 2016, C‑465/14, [naam], heeft het Hof de gestelde vragen beantwoord.

Op 12 mei 2017 heeft nogmaals onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de feiten en het verloop van de procedure tot aan de vraagstelling van de Raad van 6 oktober 2014 wordt verwezen naar die vraagstelling.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2008 gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd en de Svb is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak.

2.2.

Het geschil betreft de toepassing van de artikel 2, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (BUB) (KB 230), zoals deze bepaling luidde vanaf 1 juli 1959 tot 1 januari 1963, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder k, van het BUB (KB 24), zoals deze bepaling luidde vanaf 1 januari 1963 tot en met 1 januari 1965, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder m, van het BUB (KB 24), zoals deze bepaling luidde vanaf 1 januari 1965 tot en met 1 januari 1968. In de uitspraak van 6 oktober 2014 heeft de Raad onder meer het volgende overwogen.

“5.1. In de voorliggende gedingen dient te worden beslist of betrokkenen recht hebben op een Nederlands ouderdomspensioen in verband met de werkzaamheden verricht voor de [naam rederij].

5.2.

Bij de vaststelling van deze aanspraken naar het nationale recht is toepassing gegeven aan de bepalingen van artikel 2 van KB 230 en KB 24, zoals deze luidden ten tijde van de periode in geding. Op grond daarvan zijn betrokkenen van verzekering uitgesloten, omdat zij destijds als vreemdeling deel uitmaakten van de bemanning van een zeevaartuig dat binnen het Rijk zijn thuishaven had en de betrokkenen woonden aan boord van dat vaartuig. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad worden zeevarenden voor wie geen woonplaats aan de wal is aan te wijzen, geacht te wonen aan boord van het schip.

5.3.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat betrokkenen, beoordeeld naar het nationale recht, in het bijzonder van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW en de hiervoor weergegeven bepalingen van KB 230 en KB 24, in de periodes in geding niet verzekerd waren voor de AOW.

5.4.

De Raad stelt vast dat in de genoemde bepalingen van artikel 2 van KB 230 en KB 24 een rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt. In dit verband is de vraag gerezen of het onderscheid tussen een (voormalige) zeevarende in de omstandigheden als die van betrokkenen en een Nederlandse (voormalige) zeevarende die zich, daargelaten de nationaliteit, in dezelfde omstandigheden bevindt als betrokkenen, verenigbaar is met het verbod op onderscheid naar nationaliteit ingevolge artikel 14 van het EVRM, in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol, artikel 6 EEG (thans artikel 18 VWEU) en met de bepalingen van hoofdstuk I en hoofdstuk II van Vo 1408/71.

5.5.

In zijn uitspraken van 4 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1322 en ECLI:NL:CRVB:2014:1195 heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van
4 juni 2002, 34462/97, EHRC 2002/60, Wessels-Bergervoet, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), geoordeeld dat met betrekking tot (pensioen)aanspraken als hier aan de orde onder omstandigheden beoordeeld moet worden of de doorwerking van een in het verleden gemaakt - toentertijd niet discriminatoir - onderscheid in het kader van de verzekeringsplicht ook thans bij de vaststelling van de pensioenaanspraak nog voldoende gerechtvaardigd is. Daarbij is overwogen dat deze beoordeling van het EHRM geheel in lijn is met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in onder meer de arresten Verholen
(van 11 juni 1991, C-87/90) en Kauer (van 7 februari 2002, C-28/00) gekozen benadering binnen het communautaire recht. Het enkele feit dat in die geschillen een ander soort onderscheid dan naar nationaliteit aan de orde is, doet niet af aan het uitgangspunt dat met betrekking tot pensioenaanspraken beoordeeld moet worden of de doorwerking van dat, inmiddels niet meer gehanteerde onderscheid, ook thans nog voldoende gerechtvaardigd is. Verder heeft de Raad in die zaken overwogen dat de in het verleden gegeven rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor werkenden aan boord van zeeschepen - de tijdelijkheid van het wonen en werken aan boord van vreemdelingen en de ongewenstheid van het voor hen laten ontstaan van verzekeringstijdvakken voor kortere periodes - in de specifieke situatie van die betrokkenen rechtens niet acceptabel is. De betrokkenen hebben zich tijdens en na hun werk aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven steeds of hoofdzakelijk bevonden in de Nederlandse rechtssfeer. De als rechtvaardiging veronderstelde tijdelijke band met de Nederlandse rechtssfeer voor niet-Nederlandse zeelieden aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven geldt derhalve niet voor die betrokkenen. De Raad is vervolgens tot de slotsom gekomen dat − onder meer − de hiervoor weergeven bepalingen van KB 24 ten aanzien van die betrokkenen buiten toepassing moeten worden gelaten wegens schending van artikel 14 van het EVRM, in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol.

5.6.

Anders dan in die uitspraken, komt de Raad in de onderhavige procedures tot de conclusie dat voor de doorwerking van het - destijds geoorloofde - onderscheid naar nationaliteit in het licht van artikel 14 van het EVRM een voldoende rechtvaardiging bestaat, omdat in de situatie van betrokkenen geen voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer tot stand is gekomen.”

2.3.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de hiervoor genoemde bepalingen van artikel 2 van KB 230 en KB 24, zoals deze luidden ten tijde van de periodes in geding, buiten toepassing dienen te blijven wegens strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat in de visie van de rechtbank voor het onderscheid geen toereikende rechtvaardiging bestaat.

2.4.

De Svb heeft − ook na de vraagstelling van 6 oktober 2014 − bestreden dat met betrekking tot pensioenaanspraken beoordeeld moet worden of de doorwerking van het, inmiddels niet meer gehanteerde onderscheid, ook nu nog voldoende gerechtvaardigd is. Betoogd is dat de arresten die in de vraagstelling van 6 oktober 2014 zijn aangehaald geen betrekking hebben op een onderscheid naar nationaliteit. Voor dit betoog is volgens de Svb steun te vinden in het arrest van het EHRM van 15 september 2016, 44818/11, EHRC 2016/246, British Welfare Gurkha Society en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk.

2.5.

Dit betoog van de Svb leidt tot dezelfde conclusie als de conclusie die door de Raad in de vraagstelling van 6 oktober 2014 reeds is getrokken, zij het op andere gronden. De strekking van het betoog van de Svb richt zich tegen de argumentatie die ten grondslag ligt aan de uitspraken van de Raad van 4 april 2014. Er is geen aanleiding de grondslag van deze uitspraken te heroverwegen.

2.6.

Gelet op overweging 2.1 tot en met 2.5 is er geen grond om de bepalingen van artikel 2 van KB 230 of KB 24 ten aanzien van betrokkene buiten toepassing te laten wegens schending van artikel 14 van het EVRM, in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol.

2.7.

In het arrest van 27 oktober 2016 heeft het Hof de door de Raad gestelde vragen beantwoord door het volgende voor recht te verklaren.

“1. Artikel 94, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor de bepaling van de rechten op pensioenuitkeringen geen rekening houdt met een verzekeringstijdvak dat beweerdelijk krachtens de wettelijke regeling ervan is vervuld door een buitenlandse werknemer, wanneer de staat waarvan die werknemer de nationaliteit heeft, nadat dat tijdvak was vervuld, is toegetreden tot de Unie.

2. De artikelen 18 en 45 VWEU moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een zeevarende die gedurende een bepaalde periode deel uitmaakte van de bemanning van een zeeschip met thuishaven op het grondgebied van die lidstaat en die aan boord van dat schip woonde, is uitgesloten van de ouderdomsverzekering uit hoofde van die periode omdat hij in die periode geen onderdaan van een lidstaat was.

3. Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van
14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan een tijdvak van arbeid dat is vervuld krachtens de wetgeving van deze lidstaat door een werknemer die tijdens dat tijdvak geen onderdaan van een lidstaat was, maar die op het tijdstip waarop hij de uitkering van een ouderdomspensioen aanvraagt binnen de werkingssfeer van artikel 1 van deze verordening valt, door deze lidstaat niet in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de pensioenrechten van deze werknemer.”

2.8.

Uit de onder 2.7 weergegeven verklaring voor recht, en de door het Hof daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in de punten 39 tot en met 79 van het arrest, volgt dat de door het Hof in zijn antwoorden genoemde bepalingen van het Unierecht zich niet verzetten tegen de uitsluiting van betrokkene van de verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) in de periode in geding en de weigering van de Svb om aan betrokkene een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen.

2.9.

Betrokkene heeft gesteld dat hij in de periode in geding in Nederland aan de wal woonde, omdat hij voer op Nederlandse zeeschepen, in de periodes tussen de vaarperiodes verbleef in hotel [naam hotel] in [plaatsnaam] en geen sterke band had met een ander land.

2.10.

In artikel 3, eerste lid, van de AOW is bepaald dat waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. In het tweede lid van artikel 3 van de AOW is onder meer bepaald dat schepen welke hun thuishaven in Nederland hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland worden beschouwd. Naar vaste jurisprudentie van de

Hoge Raad en de Raad, waaronder de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7165, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat alleen zeevarenden ten aanzien van wie, beoordeeld naar de omstandigheden, geen woonplaats aan de vaste wal is aan te wijzen, aan boord van het schip wonen.

2.11.

In zijn arresten van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.

2.12.

Betrokkene heeft − wat niet in geschil is − in de periode in geding niet onafgebroken in Nederland verbleven, maar alleen in de tijd tussen de vaarperiodes. Uit het door betrokkene overgelegde monsterboekje is af te leiden dat de tijd die betrokkene na een vaarperiode aan de wal verbleef, varieerde van minder dan een dag tot enkele weken, maar in de regel niet meer dan tien dagen. De Svb heeft erop gewezen − wat door betrokkene niet is bestreden − dat de (latere) echtgenote van betrokkene in de periode in geding alleen voor korte duur in Nederland is geweest en zij het grootste deel van de periode in geding in Duitsland verbleef en daar een bepaalde tijd heeft gewerkt. Gelet op deze omstandigheden, kan niet worden aangenomen dat sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Betrokkene heeft verklaringen overgelegd van personen die in dezelfde periode als hij in hotel [naam hotel] hebben verbleven en die bevestigen dat betrokkene daar heeft gewoond. Deze verklaringen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Geconcludeerd wordt dat niet aannemelijk is dat betrokkene in de periode in geding aan de wal woonde, zodat moet worden aangenomen dat hij in deze periode woonde aan boord van de schepen waarop hij werkzaam was.

2.13.

Betrokkene heeft gesteld dat voormalige collega’s − die zich in dezelfde situatie als betrokkene zouden hebben bevonden − wel een AOW-pensioen ontvangen dat (mede) gebaseerd is op de periodes waarin zij gewerkt hebben aan boord van zeeschepen. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ten eerste is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat de collega’s zich in dezelfde situatie bevonden als betrokkene. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat deze collega’s − net als betrokkene − ten tijde van hun werkzaamheden aan boord niet konden worden geacht een woonplaats in Nederland aan de wal te hebben. De Svb heeft terecht aangevoerd dat daarvoor onvoldoende gegevens zijn overgelegd. Van de Svb kan niet worden verlangd om gegevens over te leggen van andere zeevarenden in dienst van de voormalige werkgever van betrokkene − daargelaten de vraag hoe zich dit verhoudt tot het recht op privacy van deze zeevarenden − nu aannemelijk is dat deze gegevens in de administratie van de Svb niet toegankelijk zijn enkel aan de hand van het gegeven dat zij zeevarende zijn geweest in dienst van dezelfde werkgever als betrokkene. De Svb wordt − ten tweede − gevolgd in zijn standpunt dat ook als de collega’s door een fout een AOW-pensioen zouden ontvangen dat (mede) gebaseerd op periodes waarover ten onrechte verzekering is aangenomen, de Svb niet gehouden is betrokkene in strijd met de wettelijke bepalingen op dezelfde wijze te behandelen.

2.14.

Uit 2.2 tot en met 2.13 volgt dat betrokkene op grond van artikel 2 van
KB 230 en KB 24, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de periode in geding, uitgesloten was van de verzekering ingevolge de AOW. Bij het besluit van 14 oktober 2008 is terecht de weigering van het pensioen gehandhaafd. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2008 wordt ongegrond verklaard.

3. Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

3.1.

Voor de wijze waarop een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn wordt beoordeeld, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van het arrest van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.

3.2.

Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift van betrokkene op 4 april 2008 tot deze uitspraak zijn negen jaar en vier maanden verstreken. Daarvan blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van de prejudiciële beslissing van het Hof (vraagstelling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3318), vanaf de verzending van de vraagstelling op 6 oktober 2014 tot de dag van openbaarmaking van het arrest op
27 oktober 2016; dit is ruim twee jaar. De in aanmerking te nemen behandelingsduur bedraagt zeven jaar en ruim drie maanden.

3.3.

De Raad ziet geen aanleiding een langere redelijke termijn in aanmerking te nemen dan vier jaar. Deze termijn is met drie jaar en ruim drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van zeven maal € 500,-. Dit is € 3.500,-.

3.4.

De behandeling van het bezwaar door de Svb heeft bijna zeven maanden geduurd. De behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 8 augustus 2008 tot de datum van deze uitspraak, bijna zes jaar en ruim acht maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. De ten laste van de Staat en de Svb te brengen schadevergoedingen bedragen onderscheidenlijk € 3.410,- en € 90,-.

4. Aanleiding bestaat om de Svb en de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene die kunnen worden gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze proceskosten worden begroot op € 123,75 ten laste van de Staat en € 123,75 ten laste van de Svb, voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.410,-;

- veroordeelt de Svb tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 90,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 123,75;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 123,75.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) I.G.A.H. Toma

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

KP