Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
14/7060 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het rapport van de deskundige van 23 oktober 2016 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de deskundige. De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2016 op het rapport van de deskundige wordt onderschreven. De belastbaarheid van appellante wordt met belasting van de voorbeeldfuncties niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/7060 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 november 2014, 13/6075 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft aanleiding gezien een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Op 23 oktober 2016 heeft psychiater G.T. Gerssen schriftelijk verslag gedaan van zijn onderzoek en vragen van de Raad beantwoord.

Partijen hebben toestemming gegeven het geding zonder nadere zitting af te doen. Daarop is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is tot september 2008 werkzaam geweest als teamleidster patiƫntenregistratie in een ziekenhuis. Vanuit de situatie dat zij een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 17 november 2008 ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante van 26 april 2010 tot en met 25 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,33%. Naar aanleiding van het bereiken van de maximumduur van de loongerelateerde uitkering heeft het Uwv appellante bij besluit van 27 december 2012 met ingang van 26 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Na gemaakt bezwaar heeft het Uwv actueel medisch en arbeidskundig onderzoek verricht en bij besluit van 27 mei 2013 de vervolguitkering met ingang van 28 juli 2013 beƫindigd, omdat appellante met ingang van die dag minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.2.

Bij besluit van 15 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 27 december 2012 en 27 mei 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Appellante moet naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2013.

2.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies, rekening houdend met alle door het Uwv aangenomen beperkingen, voor appellante geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, evenals bij de rechtbank, de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat een geleidelijk af te bouwen urenbeperking medisch noodzakelijk is om te komen tot een geslaagde re-integratie.

3.2.

Het Uwv heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2016 en

23 februari 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

28 juli 2013.

4.2.

De door de Raad benoemde deskundige heeft, blijkens zijn rapport van 23 oktober 2016, na dossierstudie en psychiatrisch onderzoek, te kennen gegeven dat er naar zijn mening niet meer beperkingen gelden dan de verzekeringsartsen hebben vastgelegd in de FML van

4 april 2013. De deskundige heeft met betrekking tot de FML opgemerkt dat de beperkingen die daarin zijn opgenomen ten aanzien van het persoonlijk functioneren, te weten dat de werksituatie voorspelbaar moet zijn, dat appellante aangewezen is op een werksituatie zonder veelvuldige onderbrekingen en dat ze aangewezen is op werk zonder productiepieken en waarin geen hoog handelingstempo is vereist, juist de beperkingen zijn die passen bij stressgevoeligheid, bij de persoonlijkheidsstructuur van appellante en bij haar depressief klachtenpatroon. Immers appellante is niet gebaat bij verantwoordelijk werk, het omgaan met veranderingen in een organisatie en het oplossen van conflicten tussen andere medewerkers. In de FML wordt volgens de deskundige zorgvuldig omschreven dat op basis van de diagnostiek uit het medisch onderzoek (psychische klachten) van het Uwv, de belastbaarheid alleen mogelijk is conform aandachtspunten zoals die in de FML van 4 april 2013 zijn vermeld.

4.3.

De deskundige kan zich tevens verenigen met het standpunt van de verzekeringsartsen dat appellante op 28 juli 2013 in staat was om acht uur per dag (40 uur per week) te werken. Hij tekent daar echter bij aan dat appellante, voor hem begrijpelijkerwijs, naar voren brengt dat zij niet direct voor zoveel uur kan gaan werken. Van belang is een traject in acht te nemen waarbij ze via kleine stappen, dat wil zeggen via een beperkt aantal uren per week, weer gaat deelnemen aan het arbeidsproces en geleidelijk uitbreidt. Hij realiseert zich echter dat dat mogelijk niet past in de huidige systematiek en regelgeving van het Uwv.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van 23 oktober 2016 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De conclusies van de ingeschakelde deskundige berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd op grond van het uitgevoerde psychiatrisch onderzoek en kennisneming van de over appellante beschikbare medische informatie, waaronder informatie van de huisarts van 10 oktober 2016 en van de behandelend psychiater van 7 oktober 2016. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de deskundige.

4.5.

De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2016 op het rapport van de deskundige, in die zin dat een gefaseerde opbouw van werktijden vanwege de behoefte aan gewenning aan arbeid buiten het bestek van de CBBS-schattingsmethodiek valt, wordt onderschreven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit moet worden onderschreven.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 4 april 2013 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

4.8.

Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een proceskosten in de veroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) B. Dogan

IJ