Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15/6950 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en opleggen boete. Verzwegen verkoopactiviteiten. Geen opzet maar normale verwijtbaarheid. Geen gegevens draagkracht dan uitgaan van minimum inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6950 WWB, 15/6951 WWB

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van

8 september 2015, 14/4720 (aangevallen uitspraak 1) en 14/5672 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft in de procedure 15/6950 WWB, desgevraagd, een nader standpunt ingenomen ten aanzien van de boete en in de procedure 15/6950 WWB nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 15/282 WWB en 15/6953WWB plaatsgevonden op 22 november 2016. Namens appellant is mr. Mes verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen. In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1996 bijstand. Het college heeft bij besluit van 19 juli 2001 aan appellant toestemming verleend om naast de bijstand marginale bedrijfsactiviteiten te ontplooien. Appellant heeft deze werkzaamheden op 31 december 2012 formeel beëindigd. Bij de beëindiging van zijn bedrijf had appellant een bedrijfsvoorraad bestaande uit

brommer- en scooteronderdelen met een verkoopwaarde van € 39.294,-. Nadat de bijstand in 2011 was beëindigd, heeft het college appellant bij besluit van 25 februari 2013, herzien bij besluit van 17 juni 2013, (toekenningsbesluit) met ingang van 1 januari 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 20% toegekend.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat appellant op Marktplaats verkoopactiviteiten verricht, heeft een toezichthouder van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Oldambt bij Marktplaats B.V. met betrekking tot appellant inlichtingen gevorderd. Uit de door Marktplaats B.V. verstrekte gegevens blijkt dat appellant in 2013 47 advertenties en begin 2014 vier advertenties op Marktplaats heeft geplaatst waarin brommer- en scooteronderdelen worden aangeboden.

1.3.

Bij brief van 21 februari 2014 heeft het college appellant verzocht uiterlijk 7 maart 2014 de administratie te verstrekken van de verkoopactiviteiten van brommer- en scooteronderdelen vanaf 1 januari 2013. Bij besluit van 7 maart 2014 heeft het college het recht op bijstand opgeschort, omdat het college de gevraagde bewijsstukken niet heeft ontvangen. Op 3 april 2013 hebben een toezichthouder en een sociaal rechercheur een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning op het adres van appellant. Appellant heeft daarbij geen toestemming gegeven om zijn schuur te betreden en te onderzoeken wat zich in de schuur bevindt.

1.4.

Bij besluit van 22 april 2014 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB met ingang van

1 januari 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.477,78 van hem teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 28 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit onderzoek is gebleken dat appellant zijn bedrijfsmatige activiteiten niet heeft gestaakt. Appellant heeft geen administratie van de verkoopactiviteiten van brommer- en scooteronderdelen vanaf 1 januari 2013 overgelegd. De financiële situatie van appellant is onduidelijk gebleven, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het college appellant een boete opgelegd van

€ 13.489,22, gelijk aan 100% van het netto bedrag dat appellant ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.

1.7.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn handelsactiviteiten op Marktplaats. Tevens heeft appellant daarvan geen administratie overgelegd en heeft hij geweigerd om een onderzoek te laten verrichten naar de voorraad brommer- en scooteronderdelen in zijn schuur. Er is geen reden om appellant de gedraging minder of niet te verwijten. Er is evenmin sprake van een dringende reden om van boeteoplegging af te zien of de boete te matigen.

1.8.

Bij nader besluit van 15 juni 2015 (nader besluit) heeft het college zich onder verwijzing naar de uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) nader op het standpunt gesteld dat ter zake van de verwijtbaarheid sprake is van opzet en dat daarom terecht een boete van 100% is opgelegd. Daartoe heeft het college aangevoerd dat onmiskenbaar sprake is van opzet omdat appellant niet heeft gedaan wat in het toekenningsbesluit uitdrukkelijk aan hem is opgedragen, namelijk het melden van het aanbieden en verhandelen van artikelen op Marktplaats.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2, voor zover gericht tegen de hoogte van de daarbij opgelegde boete, gegrond verklaard, dit besluit in zoverre vernietigd, het beroep tegen dit besluit voor het overige ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het nader besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013 tot en met 22 april 2014.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode meer dan enkele advertenties op Marktplaats heeft geplaatst en daarin brommer- en scooteronderdelen te koop heeft aangeboden.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn bedrijfsmatige activiteiten niet heeft voortgezet. Hij heeft verklaard dat hij zijn gehele voorraad van brommer- en scooteronderdelen aan een kameraad heeft overgedragen in ruil voor een schuld die hij bij die kameraad had openstaan. Appellant heeft vervolgens geholpen om zijn kameraad en kopers samen te brengen door de brommer- en scooteronderdelen voor zijn kameraad op Marktplaats te koop aan te bieden. Appellant plaatste de advertenties omdat zijn kameraad geen computer heeft. Appellant heeft deze stellingen niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft de naam van zijn kameraad niet willen noemen en zijn stellingen ook overigens niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.4.

Het college heeft er daarom van kunnen uitgaan dat appellant zijn bedrijfsmatige activiteiten niet heeft gestaakt en heeft hem terecht verzocht de administratie van deze activiteiten over te leggen. Appellant heeft in dat kader aangevoerd dat hij niet over een administratie beschikt, omdat hij geen bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht. Appellant heeft daarmee geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Boete (aangevallen uitspraak 2)

4.7.

Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt dat de beroepsgronden enkel betrekking hebben op het nader besluit.

4.8.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 6.1 tot en met 6.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10.

4.9.

Uit 4.4 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze schending kan appellant ook een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

4.10.

Uit de in 4.8 vermelde uitspraak volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij “gewone” verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.11.

Het college is er in het nader besluit niet in geslaagd aan te tonen dat appellant opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft zijn standpunt dat het aanbieden en verhandelen van artikelen op Marktplaats zonder dit te melden aan het college onmiskenbaar een opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting is, enkel onderbouwd met een verwijzing naar het toekenningsbesluit. Anders dan het college stelt, is daarin de algemene inlichtingenverplichting opgenomen. Het college heeft geen omstandigheden aangevoerd die zich in doorslaggevende mate onderscheiden van de

onder 4.10 beschreven situatie van “gewone” verwijtbaarheid. Het nader besluit komt daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4.12.

Gelet op 4.11 dient de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het nader besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb het bedrag van de boete vaststellen en overweegt daartoe als volgt.

4.13.

Uit 4.11 volgt dat ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting door appellant bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet worden uitgegaan van “gewone” verwijtbaarheid, zodat een boete van in beginsel 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Uitgaande van het in 1.6 genoemde bedrag en afgerond naar boven op een veelvoud van € 10,- resulteert dit in een bedrag van € 6.745,-.

4.14.

Appellant heeft zijn stelling ter zitting dat zijn draagkracht nihil is, niet met gegevens onderbouwd. Namens het college is ter zitting, desgevraagd, medegedeeld dat niet bekend of appellant inkomsten geniet. De Raad zal daarom voor de vaststelling van de financiële draagkracht van appellant uitgaan van een inkomen op bijstandsniveau naar de norm van een alleenstaande. Nu sprake is van gewone verwijtbaarheid moet bij het vaststellen van de hoogte van de boete in acht worden genomen dat appellant de boete in twaalf maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kan voldoen. In de situatie van appellant als alleenstaande betekent dit dat de boete dient te worden bepaald op € 1.180,-, te weten twaalf maal 10% van de alleenstaandennorm ten tijde van deze uitspraak (€ 977,15) en afgerond op een veelvoud van € 10,-. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellant.

5. Aanleiding bestaat om in de zaak 15/6950 WWB het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

€ 1.980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in de zaak 15/6951 WWB

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

in de zaak 15/6950 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juni 2015;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.180,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 juni 2015;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 245,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD