Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
15/4261 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Boete. Schending inlichtingenverplichting door bij het Uwv geen melding te doen van verworven inkomsten als zelfstandige. Volledige verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0214

Uitspraak

15/4261 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 mei 2015, 14/4885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.N. Lap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Namens appellant is mr. Lap verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft met ingang van 14 februari 2002 een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), sinds 22 mei 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Naast deze WAO-uitkering ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Tevens verrichtte appellant werkzaamheden als zelfstandige.

1.2.

Appellant is in december 2007 verhuisd naar Duitsland. In verband daarmee is zijn
WW-uitkering per 17 december 2007 beëindigd. Zijn WAO-uitkering is ongewijzigd voortgezet, zo blijkt uit een besluit van het Uwv van 13 december 2007.

2.1.

In het kader van een project heeft de afdeling Specialistische Ondersteuning Interventieteam Buitenland van het Uwv onderzoek gedaan naar het recht op WAO-uitkering van appellant. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant te veel WAO-uitkering heeft ontvangen. Bij besluit van 23 januari 2014 (besluit I) heeft het Uwv appellant ongewijzigd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, maar tevens bepaald dat hem vanaf 1 januari 2007 geen WAO-uitkering wordt betaald omdat hij op basis van zijn inkomsten minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij dat besluit heeft het Uwv tevens de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 januari 2014 van € 31.225,68 bruto van appellant teruggevorderd.

2.2.

Bij besluit van 25 januari 2014 (besluit II) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 17.251,69 omdat appellant niet aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij vanaf 2007 inkomsten als zelfstandige had.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten I en II. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren in zoverre gegrond verklaard dat het Uwv heeft erkend dat appellant in 2007 inderdaad inkomsten aan het Uwv heeft doorgegeven via de zogenoemde werkbriefjes WW. Over het jaar 2007 is wegens verjaring ten onrechte teruggevorderd. De terugvordering is daarom door het Uwv nader vastgesteld op € 21.230,47 bruto. Vanaf 2008 treft het beroep op verjaring geen doel. Appellant heeft namelijk vanaf 2008 geen wijzigingen in inkomsten doorgegeven. Daarom heeft hij de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 80 van de WAO, overtreden. Volgens het Uwv slaagt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat in de uitkering van appellant niets zou veranderen na beoordeling van de inkomsten, terwijl er bovendien in de brief van
13 december 2007 nogmaals op is gewezen dat appellant wijzigingen in de inkomsten aan het Uwv moet doorgeven. Ten aanzien van de boete heeft het Uwv gesteld dat appellant het Uwv vanaf januari 2008 niet heeft ingelicht over de hoogte van zijn inkomen. Het gaat daarbij om feiten en omstandigheden waarvan het appellant, gelet op het karakter van de uitkering, redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op diens recht op uitkering. Mede gelet op het feit dat de inkomsten van appellant ieder jaar zijn gewijzigd en dat in 2010 zelfs een verdubbeling van het jaarinkomen heeft plaatsgevonden, had het voor appellant duidelijk moeten zijn dat hij het Uwv op de hoogte had moeten brengen van die wijzigingen. Van een dringende reden om af te zien van de terugvordering of de boete was volgens het Uwv geen sprake.

4.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hangende het beroep heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2015, in verband met het aanbrengen van een splitsing van de overtreding voor en na 1 januari 2013, de hoogte van de boete herzien en deze gesteld op € 3.396,66.

4.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover het zich richtte tegen de niet-betaling van de WAO-uitkering en de terugvordering, ongegrond verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat zich richtte tegen de boete van € 17.251,69 heeft de rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Het beroep, voor zover dat zich richtte tegen het besluit van 3 maart 2015 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

4.2.1.

De rechtbank heeft overwogen dat de in artikel 80, eerste lid, van de WAO en artikel 33a, tweede lid, van de Wet Suwi bedoelde ministeriële regeling of algemene maatregel van bestuur tot op heden niet tot stand zijn gekomen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de onderzoeksplicht van het Uwv beperkt is tot de gegevens die kunnen worden verkregen uit de polisadministratie, de verzekerdenadministratie en de basisadministratie. Deze administraties geven echter geen inzicht in de inkomsten die appellant in de periode in geding als zelfstandige heeft verworven. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat gelet op de tweede volzin van het eerste lid van artikel 80 van de WAO de informatieplicht die is vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op gegevens over zijn inkomsten als zelfstandige die het Uwv via de Belastingdienst zou kunnen verkrijgen. De verwijzing van appellant naar artikel 54, derde lid, onder b, van de Wet Suwi leidt niet tot een ander oordeel omdat in dat artikel slechts is geregeld dat informatie die door het Uwv wordt opgevraagd kosteloos wordt verstrekt door de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de in artikel 80, eerste lid, van de WAO vervatte mededelingsplicht ten aanzien van de verwerving van inkomsten als zelfstandige in de volle omvang op appellant rustte.

4.2.2.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat het Uwv bekend was en kon zijn dat hij inkomsten als zelfstandige genoot omdat hij dit telefonisch had doorgegeven, heeft de rechtbank overwogen dat het risico dat telefonisch doorgegeven feiten en omstandigheden niet of op onjuiste wijze door het Uwv worden verwerkt, en dat het feit dat een gesprek met een medewerker van het Uwv niet wordt geregistreerd, voor rekening en risico van appellant komt. Dat appellant na zijn verhuizing naar Duitsland geen inkomstenformulieren van het Uwv heeft ontvangen om zijn inkomsten schriftelijk op te geven doet niet af aan de op appellant rustende verplichting om onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant jarenlang, tot en met 2007, zijn inkomsten bij het Uwv heeft opgegeven, zodat hij redelijkerwijs kon weten dat zijn inkomsten als zelfstandige van invloed konden zijn op de hoogte van zijn uitkering.

4.2.3.

Ten aanzien van de gestelde verjaring van de terugvordering (ook) vanaf 2008 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv pas door de uitkomst uit het onderzoek van het project in 2012 op de hoogte is gebracht van een mogelijk onverschuldigde betaling aan appellant. De onderhavige besluitvorming heeft binnen vijf jaar daarna plaatsgevonden, zodat van enige verjaring van het recht op terugvordering van appellant vanaf 2008 geen sprake kan zijn. Van dringende redenen om af te zien van de terugvordering was volgens het rechtbank geen sprake.

4.2.4.

Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank overwogen dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen en dat bij hem sprake is van volledige verwijtbaarheid. Omdat appellant in staat was de boete ineens te voldoen, is de boete naar het oordeel van de rechtbank evenredig.

5. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat wel is voldaan aan de inlichtingenplicht. Appellant heeft daarvoor verwezen naar artikel 80, eerste lid, tweede volzin, van de WAO en hij heeft er mede op gewezen dat de overheid over de gegevens beschikte. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij redelijkerwijs niet hoefde te weten dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op zijn WAO-uitkering, nu hij ook in 2006 en 2007 al inkomsten als zelfstandige had doorgegeven aan de afdeling WW van het Uwv en zijn inkomenssituatie na 2007 niet wezenlijk is veranderd. Appellant heeft herhaald dat het Uwv op zijn laatst begin 2008 wist dat onverschuldigd werd betaald en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering is verjaard tot 1 februari 2009. Ten aanzien van de boete heeft appellant gesteld dat bij hem iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

6. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1.1.

Artikel 80, eerste lid, van de WAO, luidt:

Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

7.1.2.

Artikel 33a, tweede lid, van de Wet Suwi, luidt:

De gegevens, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden verwerkt, worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet verkregen van de in het eerste lid genoemde personen, voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35, alsmede de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de eerste zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de eerste zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

7.1.3.

Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.

7.1.4.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

7.1.5.

Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de WAO, legt het Uwv een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 80.

7.2.

Anders dan de rechtbank heeft verondersteld, is in deze zaak geen sprake van een herziening van een WAO-uitkering, maar gaat het om de toepassing van de anticumulatie van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO. Indien is voldaan aan de in artikel 44 van de WAO gestelde voorwaarden, is het Uwv gehouden toepassing aan dat artikel te geven. In de regel zal daarbij sprake zijn van anticumulatie met terugwerkende kracht. Het Uwv heeft daarbij bezien of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

7.3.

Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij – in ieder geval – jaarlijks zijn inkomsten bij het Uwv moest melden. Dit is appellant toegelicht in het in 1.2 genoemde besluit van het Uwv van 13 december 2007, naar aanleiding van een verzoek van appellant om informatie in verband met zijn aanstaande verhuizing naar Duitsland. In een brief van het Uwv van 14 februari 2008, nadat appellant was verhuisd, is nogmaals vermeld dat appellant veranderingen in zijn inkomen direct schriftelijk aan het Uwv moet doorgeven. Na 2007 heeft appellant bij het Uwv niettemin geen melding meer gedaan van zijn inkomsten hoewel deze ieder jaar varieerden en vanaf 2010 in aanzienlijke mate in omvang waren gewijzigd.

7.4.

De nadere regels die gesteld kunnen worden op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO en artikel 33a, tweede lid, van de Wet Suwi, zijn niet tot stand gekomen. Dat

– wellicht – voor de WAO relevante gegevens over appellant bij een andere overheidsinstantie uit aldaar beheerde administraties bekend zijn of kunnen zijn, betekent niet dat de genoemde artikelonderdelen van toepassing zijn. Evenmin vloeit uit deze bepalingen voort dat het Uwv gehouden zou zijn om uit eigen beweging bij die andere overheidsinstanties, bijvoorbeeld bij de Belastingdienst, navraag te doen naar inkomsten van appellant. Aan de genoemde artikelen kan appellant dan ook niet ontlenen dat het Uwv op de hoogte zou zijn van zijn inkomsten, dan wel dat hij ontslagen zou zijn van zijn verplichting om zijn inkomsten bij het Uwv te melden.

7.5.

De gronden van appellant met betrekking tot de verjaring vormen een herhaling van hetgeen appellant bij de rechtbank heeft gesteld. Aangezien wordt onderschreven wat de rechtbank in dat verband heeft vastgesteld en overwogen, wordt volstaan met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

7.6.

Het Uwv heeft daarom terecht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering vanaf 2008 teruggevorderd. Van dringende redenen waarom het Uwv zou moeten afzien van terugvordering is niet gebleken, mede gelet op het feit dat appellant in staat is geweest het onverschuldigde terug te betalen.

7.7.

Gelet op het voorgaande heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden door bij het Uwv geen melding te doen van de door hem verworven inkomsten als zelfstandige. Ter zitting heeft appellant herhaald dat hij volledig te goeder trouw is geweest en dat de telefonische contacten met het Uwv bij hem een verkeerde indruk hebben gewekt. Anders dan appellant veronderstelt, wordt er niet van uitgegaan dat hij de bedoeling heeft gehad om informatie achter te houden. Van opzet of grove schuld is dan ook geen sprake. Er is echter ook geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, zodat het Uwv bij de oplegging van de boete terecht is uitgegaan van volledige verwijtbaarheid. Nu appellant de boete reeds volledig heeft betaald, is er geen aanleiding om deze te matigen met het oog op de draagkracht. De boete van € 3.396,66 is evenredig.

7.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB