Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
15/7174 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag is of de FML die uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, de beperkingen van appellant op 4 januari 2015 op een juiste wijze weergeeft. Met de rechtbank wordt die vraag bevestigend beantwoord. Aan de criteria om een urenbeperking aan te nemen is niet voldaan. Appellants standpunt dat twee van de functies niet passend zijn wegens overschrijding van zijn belastbaarheid, wordt niet gedeeld en de nadere uitleg hiervan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt volledig onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7174 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 september 2015, 15/1787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als service-engineer voor gemiddeld 41,59 uur per week. Hij heeft zich op 9 oktober 2006 ziek gemeld met onder meer psychische klachten als gevolg van verslavingsproblematiek. Het Uwv heeft appellant met ingang van 15 september 2008 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na afloop van de loongerelateerde
WGA-uitkering is appellant vanaf 11 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 21 juli 2014 dat sinds 25 april 2013 sprake is van een verslechterde gezondheidstoestand is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld van de belastbaarheid van appellant op 25 april 2013, ervan uitgaande dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per die datum. Een arbeidsdeskundige heeft appellant niet geschikt geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor een aantal andere functies in vier SBC-codes. Vergelijking tussen het maatmaninkomen en het loon dat appellant in die functies zou kunnen verdienen laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 29,13%.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 3 november 2014 vastgesteld dat appellant per
4 januari 2015 geen recht meer recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Een verzekeringarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast, omdat volgens hem de mogelijkheden van appellant door de verzekeringsarts iets zijn overschat. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen aangepast, de functies binnen één SBC-code laten vervallen en binnen een andere SBC-code een functie vervangen door een andere functie. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35% gebleven. Bij besluit van 10 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van
3 november 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In de beroepsfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 17 september 2015 de FML aangepast en appellant ook beperkt geacht op aspect 2.12.2. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant geschikt geacht voor de functies medewerker intern transport (SBC-code 111220), besteller post/pakketten (auto) (SBC-code 282102) en samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 29,57%.

2. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen inconsistenties bevat en voldoende is gemotiveerd. Verder is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid in de FML van 17 september 2015 niet zijn onderschat. In zijn rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat appellant meer beperkt te achten op de door appellant aangevoerde aspecten en evenmin aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. De beroepsgrond dat de functies met SBC-codes 111220 en 282102 niet passend zijn, omdat in deze functies sprake is van een hectische werksituatie, slaagt volgens de rechtbank niet, gelet op de navolgbare uitleg van het Uwv over de beperking op aspect 1.9.7. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 4 januari 2015 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Omdat het Uwv het bestreden besluit pas in beroep van een toereikende motivering heeft voorzien en de FML heeft aangepast, heeft de rechtbank aanleiding gezien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren en te bepalen dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij op meerdere aspecten meer beperkt is dan het Uwv aanneemt. Verder heeft hij zijn standpunt herhaald dat de functies medewerker intern transport en besteller post/pakketten niet passend zijn wegens de hectische werksituatie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich alleen tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

4.2.

Met de rechtbank en op grond van de door de rechtbank gegeven uitgebreide motivering wordt geoordeeld dat sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

4.3.

Uit de medische gegevens die in het dossier aanwezig zijn, kan worden opgemaakt dat appellant bekend is met periodiek fors alcoholgebruik. Verder is sprake van diverse schizotypische persoonlijkheidskenmerken, maar te weinig om te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis. Appellant heeft ook fysieke problemen, die niet zeer ernstig zijn, maar wel aanleiding geven lichte beperkingen in het knielen, bovenhands werken, tillen en zwaar fysiek werk aan te nemen. In de periodes dat appellant opgenomen is geweest in verband met zijn verslavingsproblematiek was sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Ook is sprake geweest van het aannemen van een urenbeperking om appellant, na een opname, in de gelegenheid te stellen geleidelijk op te starten in het werkproces en om terugval te voorkomen.

4.4.

In deze zaak gaat het om de medische situatie van appellant op 4 januari 2015. Op dat moment was geen sprake van een opname of een terugval in verslavingsproblematiek. Er was wel sprake van toegenomen spanningsklachten, onder meer als gevolg van een geschil met de Belastingdienst. Er was geen sprake van een situatie waarin appellant geen benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts moest daarom een FML opstellen. De vraag is vervolgens of de FML die uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, de beperkingen van appellant op een juiste wijze weergeeft. Met de rechtbank wordt die vraag bevestigend beantwoord. Aan de criteria om een urenbeperking aan te nemen is, gelet op de Standaard verminderde arbeidsduur, niet voldaan. Voor het overige kan uit de medische stukken in het dossier niet worden afgeleid dat appellant meer beperkt is dan de verzekeringsartsen van het Uwv aannemen. De verzekeringsartsen hebben alle beschikbare informatie van de behandelend artsen en de huisarts betrokken bij hun inschatting van de belastbaarheid van appellant en op een inzichtelijke en navolgbare wijze verwoord tot welke beperkingen dat aanleiding heeft gegeven. Daarbij is van belang dat rekening is gehouden met zowel de fysieke als de psychische beperkingen van appellant.

4.5.

Het in hoger beroep door appellant herhaalde standpunt dat de functies van medewerker intern transport (SBC-code 111220) en besteller post/pakketten (auto) (SBC-code 282102) niet passend zijn, omdat die functies op het aspect hectische werksituatie de belastbaarheid van appellant overschrijden, wordt niet gedeeld. In de FML is appellant beperkt op aspect 1.9.7. Dat betekent dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Volgens de in de FML opgenomen toelichting op dit punt is appellant aangewezen op een niet hectische werksituatie en moet het werk overzichtelijk zijn. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat, gelet op de nadere uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, deze toelichting een nadere specificering is over de afwezigheid van deadlines en productiepieken en dat niet is bedoeld aan te geven dat de werkplek/werkomgeving zelf niet hectisch of onoverzichtelijk moet zijn. Deze overweging wordt volledig onderschreven. Dat leidt tot de conclusie dat deze beroepsgrond niet slaagt.

4.6.

Gelet op wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB