Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
16/3170 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat appellante niet voldoende heeft gedaan om belanghebbende te re-integreren. Complexiteit van de problematiek van belanghebbende noopte tot steeds diepgaander onderzoek. Het Uwv heeft appellante ten onrechte verweten dat zij zich voor de re-integratie van belanghebbende onvoldoende heeft ingespannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3170 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 april 2016, 15/3907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[belanghebbende] , te [woonplaats] (belanghebbende)

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.S.M. van Dijk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijk, bijgestaan door drs. H. Donkers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink. Belanghebbende is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Belanghebbende was als algemeen verkoopmedewerkster werkzaam bij appellante in een arbeidsomvang van 37,5 uur per week. Zij is wegens lichamelijke en psychische klachten met ingang van 11 maart 2013 voor dat werk uitgevallen. Er is meerdere keren tevergeefs geprobeerd om belanghebbende in passende werkzaamheden te laten hervatten.

1.2.

Belanghebbende heeft op 10 december 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In dat kader heeft beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv geleid tot een besluit van 11 februari 2015, waarbij het tijdvak waarin belanghebbende jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte is verlengd met 52 weken tot 18 maart 2016. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is aan appellante opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken. Volgens het Uwv zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 11 februari 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juni 2015 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 juni 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat de beperkingen die de bedrijfsarts van appellantes arbodienst voor belanghebbende heeft aangenomen, vanuit medisch oogpunt niet kunnen worden onderbouwd. Er zijn geen medische stukken van behandelaars van belanghebbende waaruit blijkt dat er geen mogelijkheden voor haar zijn om te re-integreren in loonvormende arbeid. Volgens de rechtbank volgt dat laatste ook niet uit het bij belanghebbende op 30 juni 2014 verrichte neuropsychologisch onderzoek (NPO). De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN8780, heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het feit dat belanghebbende inmiddels een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsklasse van

80-100% heeft ontvangen niet de conclusie kan worden verbonden dat voldoende

re-integratie-inspanningen zijn verricht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij, gelet op de marginale mogelijkheden van belanghebbende om in loonvormende arbeid te hervatten, voldoende heeft gedaan om belanghebbende te re-integreren. Ook heeft appellante herhaald dat de conclusies van het medisch onderzoek van het Uwv onvoldoende zijn onderbouwd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

4.2.

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de

re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

4.3.

Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidde ten tijde hier van belang als volgt:

De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

4.4.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de
re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.

4.5.

Het besluit tot oplegging van de in geding zijnde loonsanctie is een door het Uwv ambtshalve genomen besluit met een voor appellante belastend karakter. Op grond van bestendige rechtspraak, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:3343, dient het Uwv aannemelijk te maken dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Het Uwv dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren.

4.6.

Niet in geschil is dat belanghebbende bij de beoordeling van de
re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Dit brengt mee dat het Uwv kon toekomen aan een beoordeling van de

re-integratie-inspanningen.

4.7.

In de medische en arbeidskundige rapporten in bezwaar van 19 juni 2015 en 29 juni 2015 zijn verschillende aspecten genoemd die hebben geleid tot de opgelegde loonsanctie. Het Uwv heeft appellante verweten dat haar bedrijfsarts en de door deze ingeschakelde arbeidsdeskundige en re-integratiebegeleiders te veel zijn blijven steken op het klachtenniveau van belanghebbende waardoor in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 oktober 2013 ernstige, maar op medische gronden niet-verdedigbare beperkingen in het persoonlijk functioneren en ten aanzien van werktijden zijn opgenomen. Belanghebbende functioneert in het dagelijks leven immers zelfstandig waardoor zij niet – zoals de bedrijfsarts volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gedaan – als volledig arbeidsongeschikt kan worden beschouwd. Wat betreft de uitkomsten van het NPO heeft appellante niet laten uitzoeken of het trage handelingstempo, de geheugenproblematiek en concentratiestoornissen eigen zijn aan belanghebbende of dat deze bevindingen door het NPO zelf zijn veroorzaakt. De bedrijfsarts had de voortgang van het re-integratieproces moeten bewaken en bij stagnatie had er tenminste overleg, bijvoorbeeld met de behandelend sector, moeten plaatsvinden en een heroverweging moeten maken. Op deze wijze had na enige tijd kunnen worden vastgesteld dat de begeleiding op therapeutische basis van re-integratiebureau [BV 1] niet adequaat was. In het begeleidingstraject had de bedrijfsarts pro-actiever moeten handelen. Door dat na te laten zijn volgens het Uwv vanaf 30 oktober 2013 re-integratiekansen blijven liggen.

4.8.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat de bedrijfsarts bij aanvang van de ziekteperiode de re-integratie via gestage urenopbouw voortvarend heeft opgepakt. Na ongeveer drie maanden was bij belanghebbende sprake van een terugval en werden haar werkzaamheden tijdelijk beperkt tot vijf keer vier uur per week. Op advies van de bedrijfsarts is vervolgens bedrijfsmaatschappelijk werk ingezet met het doel om op korte termijn tot verdere opbouw van de uren te komen. De situatie van belanghebbende is daarna opnieuw verslechterd ondanks dat zij adequate medische behandeling kreeg. Zij is toen niet belastbaar voor arbeid geacht. In september 2013 is opnieuw gestart met vijf keer twee uur per week met een wekelijkse opbouw in uren in de verwachting dat per 1 december 2013 sprake zou zijn van volledige werkhervatting. Na een terugval in oktober 2013 heeft de bedrijfsarts in overleg met de behandelaar van belanghebbende geadviseerd om met begeleiding van een jobcoach naar een voor betrokkene passende werkomgeving te zoeken, zodat de re-integratie weer hervat kan worden. Daarop is belanghebbende begeleid door re-integratiebureau [reintegratiebureau] . Omdat dit coachingstraject zonder resultaat is gebleven, heeft de bedrijfsarts bij de eerstejaarsevaluatie geadviseerd om een arbeidskundig onderzoek te laten instellen en een uitgebreide expertise door [BV 2] te laten verrichten, zodat de behandeling van betrokkene kon worden aangescherpt. Naar aanleiding van de bevindingen van het arbeidskundig onderzoek van Elabo B.V. van 2 april 2014 en de expertise van [BV 2] (NPO van 30 juni 2014) heeft de bedrijfsarts geadviseerd om belanghebbende door re-integratiebureau [BV 1] te laten begeleiden en heeft hij belanghebbende op basis van het NPO voor behandeling naar haar huisarts verwezen. Op

1 augustus 2014 is Voorzet B.V. met de re-integratie van belanghebbende in het tweede spoor begonnen.

4.9.

Gelet op wat in 4.8 is weergegeven kan het Uwv niet worden gevolgd in zijn standpunt dat appellante niet voldoende heeft gedaan om belanghebbende te re-integreren. Uit het

re-integratieproces komt het beeld naar voren dat, nadat de bedrijfsarts aanvankelijk via een opbouwschema de re-integratie heeft gestart, door de complexiteit van de problematiek van belanghebbende kennelijk steeds diepgaander onderzoek noodzakelijk was om al haar mogelijkheden benut te krijgen. Appellante heeft om die reden externe deskundigen ingeschakeld. Ook heeft zij – waar nodig – aan de adviezen van die deskundigen uitvoering gegeven. Met behulp van een in de problematiek van betrokkene gespecialiseerde

re-integratiecoach is – hoewel achteraf gebleken tevergeefs – getracht om belanghebbende werkzaamheden te laten oppakken. Een aanpak die overigens kennelijk door de huisarts van belanghebbende als adequate behandeling in het kader van cognitieve gedragstherapie werd gezien. In het NPO van 30 juni 2014 is onder het kopje “Samenvatting, conclusies en adviezen” onder andere vermeld dat bij het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor onderpresteren van belanghebbende in het domein “geheugen”. In het medische rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2015 is niet overtuigend gemotiveerd dat de bedrijfsarts niet van de juistheid van de bevindingen van het onderzoek mocht uitgaan. Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 15 september 2014 en 16 oktober 2014 en de medische informatie van Arbonet van 27 november 2014 blijkt dat de bedrijfsarts contact had en overleg voerde met die re-integratiecoach. Dit alles bijeengenomen is het oordeel dat het Uwv appellante ten onrechte heeft verweten dat zij zich voor de re-integratie van belanghebbende onvoldoende heeft ingespannen.

5. Wat in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit en de bij dat besluit gerelateerde loonsanctie niet worden gedragen door een deugdelijke motivering. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd en het besluit van 11 februari 2015 moet worden herroepen.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van de aan appellant verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op

€ 990,- in hoger beroep. De kosten van advisering door de deskundige in bezwaar, beroep en hoger beroep worden met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 2.809,38 (twintig uur à € 116,09 per uur vermeerderd met BTW). De totale kostenveroordeling is € 5.779,38.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 juni 2015;

- herroept het besluit van 11 februari 2015;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.779,38;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep

van totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.G.A.H. Toma

KP