Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
16/3789 ALGEM-P
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Prejudicieel verzoek
Inhoudsindicatie

Verzoek aan het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU uitspraak te doen over de volgende vraag:

Moet artikel 1 van Vo 1231/2010 aldus worden uitgelegd dat werknemers met de nationaliteit van een derde land, die buiten de Unie wonen, maar tijdelijk in verschillende lidstaten werken in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, zich kunnen beroepen op (titel II van) Vo 883/2004 en Vo 987/2009?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/349
V-N Vandaag 2017/2018
V-N 2017/48.14
NJB 2017/1718

Uitspraak

16/3789 ALGEM-P, 16/3790 ALGEM-P

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

[betrokkenen]

Datum verzoek: 4 augustus 2017

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 april 2016, nummers 16/683 en 16/684.

Namens betrokkenen heeft mr. drs. F.J. Webbink, advocaat, een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Voor de Svb is verschenen H. van der Most. Namens betrokkenen zijn verschenen mr. drs. Webbink,

J. Spierenburg en H.J.W. Rinner.


De Raad heeft het onderzoek heropend. In verband met het voornemen om in deze zaken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een verzoek om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU te doen, is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden. Partijen hebben daarop gereageerd.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. [betrokkene 1] is onderdaan van de Russische Federatie en [betrokkene 2] van Oekraïne. [BV 1] , en voorheen [BV 2] , is een onderneming die statutair in [gemeente 1] is gevestigd en kantoor houdt in [gemeente 2] . [BV 1] organiseert in de wintermaanden, ongeveer van oktober tot en met mei, in verschillende landen, onder andere lidstaten van de Unie, ijsshows. Het bedrijf maakt daarbij gebruik van medewerkers met verschillende nationaliteiten, onder wie onderdanen van landen die niet behoren tot de Europese Unie (derdelanders). Sinds een groot aantal jaren heeft de Svb ten behoeve van deze derdelanders zogenaamde A1-verklaringen, laatstelijk op grond van artikel 19, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009), afgegeven. Met deze verklaringen werd vastgesteld dat op hen de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was. Ook de verplichte premiebetaling vond in Nederland plaats.

1.2. Met ingang van het seizoen 2015/2016 heeft de Svb geweigerd A1-verklaringen af te geven voor de derdelanders werkzaam bij [BV 1] . Volgens de Svb was de afgifte over de jaren daarvoor ten onrechte geweest en heeft de Svb vanaf genoemd jaar besloten zijn beleid ter zake ook op de aanvragen van [BV 1] toe te passen, wat leidde tot afwijzing van de aanvragen. Na overleg, mede naar aanleiding van een voorlopige voorziening gegeven door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, heeft de Svb uiteindelijk alsnog

A1-verklaringen afgegeven tot 1 mei 2016. Het seizoen eindigde echter pas op 22 mei 2016, zodat over deze laatste weken nog een geschil bestaat. Tot deze oplossing is besloten om nog een geschil te laten bestaan dat aan de rechter kon worden voorgelegd.

1.3. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen, kort gezegd, dat op grond van het vertrouwensbeginsel niet valt in te zien waarom de Svb niet ook vergunningen heeft afgegeven voor deze laatste weken. Het beroep is dan ook gegrond verklaard.

1.4. Tijdens de zitting bij de Raad is duidelijk geworden dat in principe alle medewerkers van de shows van [BV 1] een paar weken in Nederland zijn om te trainen en oefenen voorafgaand aan de verschillende shows. Een deel van de schaatsers verzorgt daarna in Nederland een aantal optredens, terwijl de overige in met name, maar niet uitsluitend, Frankrijk en Duitsland shows verzorgen. De derdelanders verblijven tijdens de periode van trainen en eventueel optredens allemaal legaal in Nederland, waar voor hen ook een werkvergunning wordt geregeld, voor zover noodzakelijk. Ook in de overige lidstaten waar optredens verzorgd worden, verblijven zij legaal, veelal op grond van een zogeheten Schengen visum.

2.1. Europese regelgeving

Artikel 34, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) luidt:

“Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.”

Artikel 79 van het VWEU luidt:

“1 De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een preventie en intensievere bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.

2 Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast op de volgende gebieden:

a. de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;

b. de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten;

(…)

3 (…)

4 Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vaststellen om het optreden van de lidstaten ter bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, aan te moedigen en te ondersteunen, met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten.

5 (…)”

Europese basisverordening voor sociale zekerheid (Vo 883/2004)

Artikel 1j van de Vo 883/2004 luidt:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt onder “woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen.”

Artikel 1k van Vo 883/2004 luidt:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt onder “verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats.”

Artikel 19, tweede lid, van Europese toepassingsverordening voor sociale zekerheid (Vo 987/2009) luidt:

“Op verzoek van de betrokkene of de werkgever verstrekt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van een bepaling van titel II van de basisverordening van toepassing is, een verklaring dat die wetgeving van toepassing is en vermeldt het eventueel tot welke datum en onder welke voorwaarden.”

Artikel 1 van Verordening tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen (Vo 1231/2010) luidt:

“Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die alleen door hun nationaliteit nog niet onder die verordeningen vallen, alsmede op hun gezinsleden en nabestaanden, mits zij legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich in een situatie bevinden die niet in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat ligt.”

2.2. Nationale regelgeving

Beleidsregels Svb

Onderdanen van landen buiten de Europese Unie (SB2124)

“De personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 is in beginsel beperkt tot de onderdanen van lidstaten van de EU, landen van de EER en Zwitserland. Onderdanen van derde landen vallen uitsluitend onder de personele werkingssfeer van die verordening als zij erkend zijn als vluchteling of in de hoedanigheid van gezinslid of nabestaande. In Verordening (EU) nr. 1231/2010 is echter bepaald dat op onderdanen van derde landen die uitsluitend wegens hun nationaliteit niet onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen, die laatste verordening niettemin van toepassing is als deze onderdanen legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich rechtmatig binnen de Unie verplaatsen.

Het begrip legaal verblijf is niet gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1231/2010. Het beleid van de SVB is om legaal verblijf in Nederland aan te nemen indien dit verblijf rechtmatig is in de zin van artikel 8 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met dien verstande dat de SVB geen legaal verblijf aanneemt indien de vreemdeling in Nederland verblijft in afwachting van een aanvraag om eerste toelating.

Uit de titel, considerans en bepalingen van Verordening (EU) nr. 1231/2010 volgt dat onderdanen van derde landen op dezelfde wijze als gemeenschapsonderdanen moeten voldoen aan het verplaatsingscriterium zoals omschreven in SB2120.”

(…)

Verplaatsingscriterium (SB2120)

“Uit de verwijzing naar artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en overweging 13 van de Preambule bij Verordening (EG) nr. 883/2004 blijkt dat deze verordening van toepassing is op personen 'die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen'. In het arrest Petit is ten aanzien van EU-onderdanen door het Hof van Justitie EU bepaald dat Verordening (EG) nr. 883/2004 geen toepassing kan vinden in zuiver nationale situaties. Er dient sprake te zijn van enig intra-unitair aanknopingspunt. De SVB gaat ervan uit dat een dergelijk aanknopingspunt bestaat als de situatie van een persoon, wat de woon- of verblijfplaats, of de plaats van verrichting van de beroepsactiviteiten betreft, een of meer grensoverschrijdende aspecten in zich draagt (bijvoorbeeld een in Nederland woonachtige Nederlander die tijdelijk werkzaamheden in een andere lidstaat verricht).

Uit het arrest Khalil van het Hof van Justitie EU van 11 oktober 2001 volgt dat aan het verplaatsingscriterium in ieder geval niet is voldaan wanneer de situatie van een persoon uitsluitend aanknopingspunten heeft met een derde staat en één enkele lidstaat. Verordening (EG) nr. 883/2004 is derhalve in ieder geval niet van toepassing als een onderdaan van een land buiten de EU, EER of Zwitserland zich, komend vanuit dat land, voor het eerst in een lidstaat van de EU, een EER-land of Zwitserland vestigt.

De bepalingen van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 zijn alleen van toepassing voor zover de actuele casus van een persoon grensoverschrijdende elementen bevat. Wat de toepasselijkheid van de overige bepalingen in deze verordening betreft, zoals vervat in titel I en titel III, volstaat het dat de persoon zich in het verleden binnen de Europese Unie heeft verplaatst.

Voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004 (gezinsuitkeringen) is reeds aan het verplaatsingscriterium voldaan als de rechthebbende werkzaam of woonachtig is in een andere lidstaat dan het woonland van het gezinslid waarvoor gezinsuitkeringen worden verkregen.”

Territoriale werkingssfeer (SB2135)

“Het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt territoriaal begrensd door artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een opsomming bevatten van de lidstaten van de Europese Unie en van de overige gebieden waarop de verdragen van toepassing zijn. De toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 is daarom in beginsel slechts aan de orde als een persoon op het grondgebied van de Europese Unie woont en werkt. (…)

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU blijkt dat Verordening (EG) nr. 883/2004 eveneens van toepassing kan zijn als een persoon onder de personele werkingssfeer valt maar buiten het grondgebied van de Europese Unie woont of werkt. De SVB voert in dit kader het volgende beleid.

De SVB gaat ervan uit dat titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Europese Unie woont maar buiten het grondgebied van de Unie werkt voor een binnen de Unie gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van het Hof van Justitie EU in de arresten Prodest en Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Unie verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Unie. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Unie arbeid wordt verricht.

De SVB neemt op grond van het arrest Chuck aan dat hoofdstuk 5 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004, betreffende ouderdom en overlijden, alsmede Bijlage XI, onderdeel Nederland, onder 3, betreffende het recht op nabestaandenuitkering, van toepassing is ongeacht de woonplaats van de aanvrager om ouderdomspensioen of nabestaandenuitkering onder de voorwaarde dat de aanvrager onder de personele werkingssfeer van de verordening viel (zie SB2120 over het verplaatsingscriterium). Indien een buiten de Europese Unie wonende persoon aan de wetgeving van meer dan een lidstaat onderworpen is geweest, dient zijn ouderdomspensioen of de uitkering ten behoeve van zijn nabestaanden daarom te worden berekend met toepassing van hoofdstuk 5 van titel III. Dit uitgangspunt geldt niet voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III, voor zover dit betrekking heeft op gezinsuitkeringen voor pensioengerechtigden, en Bijlage XI, onderdeel Nederland, punt 2, onder a tot en met d, betreffende in aanmerking te nemen tijdvakken voor de berekening van een ouderdomspensioen. De daarin vervatte bepalingen zijn blijkens de tekst van de verordening alleen van toepassing als de aanvrager op het grondgebied van de Europese Unie woont.

(…)”

3. Standpunt van partijen

Svb

3.1.1. De Svb is van mening dat voor derdelanders in beginsel geen A1-verklaring afgegeven kan worden. Een dergelijke verklaring is gebaseerd op artikel 19, tweede lid, van

Vo 987/2009. In dit artikel wordt gesproken over “wetgeving op grond van een bepaling van titel II van de basisverordening”. Volgens de Svb volgt uit het arrest Chuck van 3 april 2008,

C-331/06, dat op personen die niet woonachtig zijn in een lidstaat, titel II niet van toepassing kan zijn. Artikel 1, aanhef en onder j, van Vo 883/2004 geeft een definitie van woonplaats en artikel 1, aanhef en onder k, van verblijfplaats. Gezien de definities is het niet mogelijk voor betrokkenen een woonplaats binnen de EU vast te stellen. Vo 883/2004 is bedoeld om de sociale zekerheidswetgeving binnen de Unie te coördineren indien gebruik gemaakt wordt van het recht op vrij verkeer, maar de verordening ziet niet op de coördinatie tussen de Unie en een derde land. Ter zitting heeft de Svb nog nader uiteengezet dat op grond van zijn beleid ook een EU-burger die niet woont in een lidstaat, geen beroep op titel II van Vo 883/2004 kan doen.

3.1.2. Vo 1231/2010 breidt de werking van Vo 883/2004 en Vo 987/2009 uit tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen. In de verschillende taalversies van deze verordening is niet geheel duidelijk wat verstaan moet worden onder “verblijf” zoals in de Nederlandse versie genoemd wordt in artikel 1 van Vo 1231/2010. De Svb meent, in navolging van met name de Duitse versie, dat sprake moet zijn van wonen.

Betrokkenen

3.2.

Op basis van artikel 1 van Vo 1231/2010 zijn op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] Vo 833/2004 en Vo 987/2009 van toepassing. Zij verblijven legaal enige tijd in Nederland, werken voor een in Nederland gevestigde werkgever en werken ook in één of meer andere lidstaten gedurende de winterperiode. In artikel 1 van Vo 1231/2010 wordt gesproken over ‘verblijven’. Daarvan is hier sprake. In de verschillende taalversies van dit artikel worden verschillende woorden gebruikt voor dit ‘verblijven’. Waarom de Duitse versie zou prevaleren is onduidelijk, nog daargelaten de vraag of uit de Duitse versie volgt dat gesproken moet worden van ‘wonen’.

Daarnaast is door [BV 1] uiteengezet dat de administratieve lasten en rompslomp zeer zullen toenemen indien voor elke medewerker in elk land waar shows gegeven worden, steeds opnieuw de noodzakelijke vergunningen aangevraagd moeten worden en aansluiting bij de sociale zekerheidsstelsels geregeld moet worden. Daarbij speelt een rol dat niet in elke lidstaat aansluiting mogelijk is voor relatief korte periodes. Bovendien is het voor de soort shows die door [BV 1] worden verzorgd, noodzakelijk medewerkers uit derde landen aan te nemen, nu er onvoldoende gekwalificeerde schaatsers binnen de EU te vinden zijn. Indien door de Svb geen A1-verklaringen voor derdelanders meer afgegeven zouden gaan worden, zou dit het voortbestaan van [BV 1] in de huidige vorm in gevaar brengen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 2 van Vo 883/2004 moet geconstateerd worden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet rechtstreeks onder de personele werkingssfeer van deze verordening vallen, nu zij geen onderdaan zijn van een lidstaat, noch staatloos of vluchteling. Zo deze verordening in dit geding een rol kan spelen, kunnen zij zich hier niet direct op beroepen. In Vo 1231/2010 is echter de werkingssfeer van Vo 883/2004 (en Vo 987/2009) onder bepaalde voorwaarden uitgebreid tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen.

4.2.

Vast staat dat er sprake is van een situatie die zich niet in alle opzichten in de interne sfeer van Nederland bevindt. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tijdens de tours legaal verblijven op het grondgebied van de lidstaten waar zij oefenen en hun optredens verzorgen.

4.3.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de situatie waarin [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verkeerden, artikel 1 van Vo 1231/2010 van toepassing is. Zij woonden, onweersproken, niet in Nederland of een andere lidstaat, maar verbleven (en werkten) tijdelijk binnen de EU, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van Vo 883/2004. Gezien de verschillende taalversies van artikel 1 van Vo 1231/2010 is onduidelijk of alleen derdelanders die feitelijk wonen, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j, van Vo 883/2004, zich op deze bepaling kunnen beroepen, of ook derdelanders in de positie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In de Nederlandse versie van artikel 1 van Vo 1231/2010 wordt gesproken van ‘verblijven’, wat lijkt te duiden op een niet noodzakelijkerwijs langdurige aanwezigheid. In deze situatie is mogelijk van belang wat het doel is van dit verblijf. In de Engelse versie wordt gesproken van ‘legally resident’ en in de Duitse van ‘rechtmässigen Wohnsitz’, wat opgevat zou kunnen worden als de noodzaak van een verblijf van enige duur en bestendigheid.

4.3.2.

In dit verband merkt de Raad nog op dat Vo 1231/2010 is gebaseerd op artikel 79, tweede lid, onder b, van het VWEU. In de Duitse versie van dit artikel staat:

“b. Festlegung der Rechte von Drittstaatsangehörigen, die sich rechtmäßig in einem Mitgliedstaat aufhalten, einschließlich der Bedingungen, unter denen sie sich in den anderen Mitgliedstaaten frei bewegen und aufhalten dürfen;”

In dit artikellid wordt gesproken over ‘aufhalten’, wat meer lijkt op het Nederlandse ‘verblijven’ en minder op ‘wonen’.

4.4.1.

Het komt de Raad voor dat artikel 1 van Vo 1231/2010 uitgelegd moet worden in het licht van de doelstelling van deze verordening, mede in het licht van recente ontwikkelingen.

4.4.2.

Zo staat in artikel 34, tweede lid, van het Handvest dat iedereen die legaal binnen de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, recht heeft op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken. Niet blijkt dat hiermee uitsluitend gedoeld wordt op Unieburgers. In artikel 79, tweede lid, onder b, van het VWEU wordt gesproken over het vaststellen van maatregelen tot omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten.

In zowel Richtlijn 2011/98/EU, als Richtlijn 2014/36/EU, zijn maatregelen getroffen ten behoeve van de toegang tot en de mogelijkheden om te werken van derdelanders in de lidstaten. Ook met de al genoemde Vo 1231/2010 wordt, gezien overweging 1 van de considerans, gepoogd een betere integratie van de onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven te bewerkstelligen, door hen een aantal uniforme rechten toe te kennen die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met die van de burgers van de Unie.

4.4.3.

Uit onder andere de totstandkoming van de hiervoor genoemde regelgeving zou de conclusie getrokken kunnen worden dat het streven binnen de Unie erop is gericht derdelanders, indien zij legaal verblijven en werkzaam zijn in een lidstaat, in een juridisch meer met EU-burgers vergelijkbare situatie te brengen.

4.5.

Naast bovenstaande ontwikkelingen acht de Raad van belang dat blijkens overweging 6 van de considerans bij Vo 1231/2010 door Vo 883/2004 en Vo 987/2009 de coördinatieregels aanzienlijk gemoderniseerd en vereenvoudigd zijn, zowel voor de verzekerden als voor de organen van sociale zekerheid. Het doel van de gemoderniseerde regels is de verwerking van de gegevens betreffende de rechten van de verzekerden op prestaties te versnellen en te vergemakkelijken en de administratiekosten daarvan te beperken. Met Vo 883/2004 en Vo 987/2009 worden coördinatieregels gegeven die er toe moeten leiden dat een persoon op wie deze verordeningen van toepassing zijn, onder één stelsel van sociale zekerheid valt. Bij deze werkingssfeer moet wel worden bedacht dat het er uitsluitend om gaat personen te beschermen tegen de nadelen die voortvloeien uit hun migratie tussen lidstaten van de Unie.

4.6.

In deze gedingen kan dan geoordeeld worden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een band hebben met Nederland, nu zij werkzaam zijn bij een in Nederland gevestigde werkgever en ook enige tijd per jaar legaal in Nederland verblijven en werken. Met het oog op het creëren van duidelijkheid en zekerheid voor hen op het gebied van de sociale zekerheid in de periode van werkzaamheden voor [BV 1] , lijkt het onwenselijk hen steeds, voor relatief korte tijd, in de verschillende lidstaten waar zij werkzaamheden verrichten, apart te moeten aansluiten bij een sociaal zekerheidsstelsel. Hierbij speelt ook een rol dat niet in alle lidstaten aansluiting voor zo’n korte periode mogelijk is, dan wel tot het recht op een uitkering zou kunnen leiden, gezien de verschillende referteperiodes in de verschillende wetgevingen en het feit dat het beginsel van samentelling van tijdvakken van verzekering niet in de nationale wetgeving van alle staten is neergelegd. Daarnaast zou de doelstelling van Vo 1231/2010, zoals ook neergelegd in overweging 8 van de considerans omtrent de verwerking van gegevens betreffende de rechten van verzekerden en het verminderen van de administratiekosten en problemen in die omstandigheid, moeilijk realiseerbaar worden.

4.7.

Aan de andere kant kan, zoals de Svb doet, ook gezegd worden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] per jaar maar korte tijd op Nederlands grondgebied aanwezig zijn en dat zij hun werkzaamheden, in een bepaald gedeelte van het jaar, in overwegende mate in andere lidstaten verrichten. Zij wonen niet in een lidstaat van de Unie en hebben daartoe ook niet de intentie. Het arrest Chuck (zie boven) kan volgens de Svb zo worden uitgelegd dat titel II van Vo 1408/71 niet van toepassing kan zijn op derdelanders die niet binnen de Unie wonen. Als deze uitleg juist zou zijn, dan is het aan de nationale organen om te bepalen of op betrokkenen de nationale wetgeving van toepassing is. Dit roept ook de vraag op of, indien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voldoen aan de voorwaarden van artikel 1 van Vo 1231/2010, zij zich in beginsel kunnen beroepen op alle relevante bepalingen in Vo 883/2004 en V0 987/2009. Het komt de Raad voor dat het antwoord hierop bevestigend moet zijn.

4.8.1.

In de reactie naar aanleiding van de toegezonden conceptvraag hebben betrokkenen nog gewezen op het voorstel van 13 december 2016 voor een Verordening tot wijziging van Vo 883/2004 en Vo 987/2009 (COM(2016) 815 final 2016/0397 (COD)). De Europese Commissie stelt onder andere voor om aan artikel 14 van Vo 987/2009 een twaalfde lid toe te voegen. In dit lid wordt voorzien in collisieregels voor situaties waarin een persoon die in een derde land woont waar de verordening niet van toepassing is, zijn/haar werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in twee of meer lidstaten verricht en die onder de socialezekerheidswetgeving van een van deze lidstaten valt. De wijziging zorgt ervoor dat een dergelijk persoon alleen onderworpen zal zijn aan de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar de zetel of de domicilie van de onderneming of zijn/haar werkgever of het centrum van zijn/haar werkzaamheden zich bevindt.

4.8.2.

Betrokkenen menen dat uit dit voorstel volgt dat Vo 883/2004 van toepassing is op werknemers die buiten de Unie wonen en werkzaamheden in meer landen van de Unie verrichten. Alleen dan is er immers behoefte aan collisieregels. Het komt de Raad voor dat dit een mogelijke lezing van de bedoeling van het voorstel is. Maar een andere lezing is evenzeer mogelijk. Immers, in de toelichting bij dit voorstel staat dat dit lid wordt ingevoerd om te voorzien in collisieregels. Hieruit kan ook geconcludeerd worden dat dergelijke regels er in de huidige verordeningen niet zijn en dat betrokkenen zich dus niet met succes kunnen beroepen op de verordeningen in de huidige vorm. De Raad ziet in dit voorstel niet op voorhand een antwoord op de in dit geding voorliggende vraag, maar ziet hierin wel een aanwijzing dat getracht wordt de regelgeving in de Unie voor derdelanders nader en preciezer te regelen om, onder voorwaarden, hun positie ten opzichte van Unieburgers in grotere mate gelijkwaardig te laten zijn.

4.9.

Bij de beoordeling van dit geding kan nog niet direct mede worden betrokken Richtlijn 2014/36/EU betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider, reeds omdat de implementatietermijn is verstreken op 30 september 2016, terwijl de periode hier in geding eindigde op 22 mei 2016. Ook als ervan wordt uitgegaan dat deze richtlijn geen directe betekenis heeft voor gevallen als de onderhavige, wijst deze er eveneens op dat binnen de Unie in toenemende mate getracht wordt maatregelen te treffen om de rechtspositie van derdelanders die legaal binnen de Unie werkzaam zijn en verblijven, te verduidelijken en te verstevigen.

5. De hiervoor weergegeven overwegingen geven de Raad aanleiding een vraag voor te leggen aan het Hof met betrekking tot de uitleg van artikel 1 van Vo 1231/2010.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU uitspraak te doen over de volgende vraag:

Moet artikel 1 van Vo 1231/2010 aldus worden uitgelegd dat werknemers met de nationaliteit van een derde land, die buiten de Unie wonen, maar tijdelijk in verschillende lidstaten werken in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, zich kunnen beroepen op (titel II van) Vo 883/2004 en Vo 987/2009?

- houdt de verdere behandeling van de gedingen aan totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan.

Dit verzoek is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP