Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
16/4529 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsingskandidaat burgerambtenaar. Verblijf in buitenland zonder toestemming in de laatste fase van het traject. Gedurende ruim tien weken niet aan haar verplichtingen in het kader van het herplaatsingstraject voldaan. In een geval als dat van appellante, waarin gedurende een bepaalde periode de aan het herplaatsingstraject verbonden verplichtingen niet of onvoldoende zijn nagekomen, is het echter, indien wordt overwogen betrokkene in verband met die omstandigheid ontslag te verlenen, aangewezen gebruik te maken van de bevoegdheid om het overtolligheidsontslag te vervroegen. Minister was niet bevoegd om aan appellante een disciplinaire straf op te leggen. Opdracht aan minister om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2015, waartegen slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4529 AW

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
20 juni 2016, 15/3461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F. Adolf hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Th.H.P. van den Kieboom, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 2 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Kieboom. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.D. Maassen en mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 2006 als burgerambtenaar werkzaam bij Defensie, laatstelijk in de functie van [functie] .

1.2.

Bij besluit van 11 november 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 30 januari 2014, heeft de minister appellante met ingang van 4 oktober 2013 aangewezen als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 (SBK 2012). Daarbij is aan appellante meegedeeld dat, indien blijkt dat na het volledige herplaatsingstraject geen passende functie voor haar kan worden gevonden, aan haar ontslag wordt verleend in verband met overtolligheid met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop de herplaatsingstermijn is verstreken. Dat is 1 mei 2015. Met de uitspraak van de Raad van

10 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4286) is dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.3.

Bij e-mail van 28 juli 2014 heeft appellante de regiomedewerker van de Begeleidings- en bemiddelingsorganisatie (BBO) bericht dat zij van 29 september 2014 tot en met 10 december 2014 op familiebezoek/vakantie is. Appellante is telefonisch en bij e-mail van 6 augustus 2014 meegedeeld dat het niet zonder meer is toegestaan om tijdens de herplaatsingsperiode langer dan drie weken verlof op te nemen. Op 1 september 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante, de regiomanager BBO en een P&O adviseur. In dat gesprek is aan appellante meegedeeld dat zij niet zonder overleg verlof kan opnemen en dat verlof voor een dergelijk lange periode niet is toegestaan. Bij besluit van 15 september 2014 heeft de minister appellante meegedeeld dat zij geen toestemming krijgt om van 29 september 2014 tot 10 december 2014 met verlof te gaan en dat hij, indien zij wel met verlof gaat, genoodzaakt is passende maatregelen te treffen. Met de uitspraak van de Raad van 10 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4291) is dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2014 is de uitbetaling van de bezoldiging van appellante met ingang van 14 oktober 2014 stopgezet met toepassing van artikel 35 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie wegens ongeoorloofde afwezigheid en het niet nakomen van de verplichting tot het verrichten van diensten. Als gevolg van de onder 1.3 genoemde uitspraak is ook dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.5.

Nadat de minister het voornemen daartoe aan appellante kenbaar had gemaakt en appellante haar zienswijze daarover naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 20 januari 2015 aan appellante wegens plichtsverzuim met ingang van 1 februari 2015 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan appellante is verweten dat zij van 29 september 2014 tot 10 december 2014 zonder toestemming afwezig was in verband met een vakantie in Suriname en dat zij gedurende die periode niet aan haar verplichtingen in het kader van het herplaatsingstraject heeft voldaan. Het besluit van 20 januari 2015 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juni 2015 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft de juistheid van deze uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de onder 1.3 vermelde uitspraak is gegeven dat appellante in de periode van

29 september 2014 tot 10 december 2014 zonder toestemming in Suriname heeft verbleven. In die periode was zij niet beschikbaar voor het vervullen van haar verplichtingen als ambtenaar. Gezien de aanwijzing van appellante als herplaatsingskandidaat waren dat in haar geval de aan het herplaatsingstraject verbonden verplichtingen. Uit de afspraken die met appellante in het persoonlijke uitstroomplan zijn gemaakt blijkt dat zij in de laatste fase van het traject haar medewerking moest verlenen aan bemiddelingsactiviteiten door het bureau USG en zich volledig moest inzetten om het traject zo succesvol mogelijk te laten verlopen. Vaststaat dat appellante gedurende haar verblijf in het buitenland niet beschikbaar was voor bemiddeling. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens dit verblijf sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Dat betekent dat zij gedurende ruim tien weken niet aan haar verplichtingen in het kader van het herplaatsingstraject heeft voldaan.

4.2.1.

Appellante heeft betoogd dat het voorschrift over de bevoegdheid tot het verlenen van vervroegd overtolligheidsontslag wegens onvoldoende medewerking aan herplaatsing als bedoeld in de Aanwijzing bedrijfsvoering SBK 2012 (Aanwijzing) een lex specialis is ten opzichte van het voorschrift over de algemene bevoegdheid om een disciplinaire straf op te leggen. Daarom had de minister volgens appellante in plaats van strafontslag voor vervroegd overtolligheidsontslag moeten kiezen.

4.2.2.

Dit betoog slaagt. Op grond van artikel 108, derde lid, van het Burgerlijk ambtenrenreglement defensie (Bard) kan de herplaatsingskandidaat die zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit artikel opgelegde verplichting in verband daarmee ontslag als bedoeld in artikel 116, eerste lid, van het Bard worden verleend. In het SBK 2012 en in hoofdstuk 3 van de Aanwijzing is in overeenstemming hiermee vermeld dat aan de herplaatsingskandidaat een zogenoemd verwijtbaar vervroegd overtolligheidsontslag kan worden verleend indien deze zonder verschoonbare reden niet meewerkt aan de herplaatsing. De Raad stelt voorop dat ook aan een als herplaatsingskandidaat aangewezen ambtenaar een disciplinaire straf kan worden opgelegd als deze zich schuldig maakt aan een als plichtsverzuim aan te merken gedraging die geen verband houdt met het herplaatsingstraject. In een geval als dat van appellante, waarin gedurende een bepaalde periode de aan het herplaatsingstraject verbonden verplichtingen niet of onvoldoende zijn nagekomen, is het echter, indien wordt overwogen betrokkene in verband met die omstandigheid ontslag te verlenen, aangewezen gebruik te maken van de bevoegdheid om het overtolligheidsontslag te vervroegen.

4.2.3.

Uit 4.2.2 volgt dat de minister niet bevoegd was om aan appellante een disciplinaire straf op te leggen.

4.3.

Het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat vernietigen. De Raad ziet geen mogelijkheid tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik. Daarom zal de minister worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van

20 januari 2015. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door de korpschef te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juni 2015;

- draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen

het besluit van 20 januari 2015 met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen die

beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Tuit

HD