Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
16/4628 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van invaliditeit militair invaliditeitspensioen. Vaste rechtspraak dat de voorwaarde van (daadwerkelijke) behandeling in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden aangemerkt. De behandeling van betrokkene is gestart ná de peildatum. Klasse 0 is op zijn plaats. Anders dan betrokkene wenst, is de minister niet gehouden om zonder meer het advies van een door de verzekeringsarts ingeschakelde deskundige te volgen. De verzekeringsarts heeft de door Huisman toegekende scores gecorrigeerd aan de hand van het uitvoeringsbeleid, BIR-adviezen en richtlijnen PTSS protocol. Beperkingen betrokkene voor de genoemde subrubrieken zijn niet onderschat. Vaststelling percentage door de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/4628 MPW, 16/4681 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

8 juni 2016, 13/4189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

PROCESVERLOOP

De minister en namens betrokkene mr. W.B. Knook hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Knook. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.J. Engels Linssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is op 5 november 1984 opgekomen in militaire dienst. In 1985 is hij als militair uitgezonden geweest naar Libanon.

1.2.

Op 16 februari 2010 heeft betrokkene in verband met psychische klachten verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 30 september 2010 heeft de minister dit verzoek afgewezen, op de grond dat geen dienstverband wordt aanvaard voor de psychische aandoening van algemene aard waaraan betrokkene lijdt. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van 27 september 2010 van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat betrokkene heeft ondergaan.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit)heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 september 2010 gegrond verklaard en hem met ingang van 18 februari 2009 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 26,25%, afgerond op 25%. Tevens is een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% toegekend. Vastgesteld is dat betrokkene lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) waarvoor oorzakelijk dienstverband wordt aanvaard. Voor de depressieve stoornis waaraan betrokkene ook lijdt, wordt geen dienstverband aangenomen. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van verzekeringsarts S. Woudstra van 4 oktober 2012, die gebruik heeft gemaakt van de expertise van psychiater J. Huisman van 13 september 2012.

1.4.

In beroep heeft de minister te kennen gegeven dat ook voor de depressieve stoornis een oorzakelijk dienstverband moet worden aangenomen. Dit heeft geen betekenis voor de hoogte van de vastgestelde mate van invaliditeit, omdat daarin reeds rekening is gehouden met alle beperkingen van betrokkene. Ook heeft de minister te kennen gegeven dat het pensioen zal worden uitbetaald op basis van een invaliditeitspercentage van 27.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbankhet beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen voor zover het betreft het vastgestelde invaliditeitspercentage, de bijzondere invaliditeitsverhoging en het bijbehorende pensioenbedrag en bepaald dat betrokkene met ingang van 18 februari 2009 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen berekend naar een mate van invaliditeit van 31,25%, vooralsnog uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 32%, en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%. Wat de seksuele functie betreft volgt volgens de rechtbank uit de rechtspraak van de Raad dat om beperkingen in deze subrubriek te kunnen scoren, voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als afzonderlijk, van de overige PTSS-problematiek te onderscheiden, probleem is aangemerkt. Dat is, anders dan de minister stelt, hier het geval. De minister is daarom ten onrechte uitgegaan van een score 0 voor deze subrubriek. De rechtbank ziet aanleiding om aan deze subrubriek een score 4 toe te kennen. Dit levert een invaliditeitspercentage van 31,25 op. Verder dient geen afronding naar beneden plaats te vinden van het invaliditeitspercentage.

3. Partijen hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van de minister richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de waardering van de beperkingen in de subrubriek seksuele functie.

4.1.1.

Uit de rechtspraak van de Raad volgt, zoals de minister terecht heeft aangevoerd, dat voor het aannemen van beperkingen in de subrubriek seksuele functie voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd én de behandeling zich daartoe uitstrekt. De voorwaarde van (daadwerkelijke) behandeling kan in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden aangemerkt (uitspraak van 28 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2870). Niet is gebleken dat betrokkene ten tijde van de peildatum werd behandeld voor een seksueel disfunctioneren. De behandeling van betrokkene bij het [instelling] , waarnaar betrokkene in dit verband heeft verwezen, is aangevangen ná de peildatum. Daarom is een indeling in klasse 0 op zijn plaats. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt.

4.2.

Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen de volgens hem te lage scores in de subrubrieken mobiliteit, slapen, basale communicatie, structuur aanbrengen en omgaan met stressvolle gebeurtenissen. Betrokkene heeft onder meer betoogd dat de minister de scores had moeten overnemen die de door de verzekeringsarts ingeschakelde psychiater Huisman aan deze subrubrieken heeft toegekend.

4.2.1.

Op verzoek van verzekeringsarts Woudstra heeft psychiater Huisman betrokkene onderzocht. Huisman heeft in zijn rapport van 13 september 2012 vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een PTSS en een depressieve stoornis. Ook heeft Huisman aan de hand van het PTSS protocol de beperkingen benoemd die betrokkene vanwege de PTSS ondervindt. Anders dan betrokkene wenst, is de minister niet gehouden om zonder meer het advies van een door de verzekeringsarts ingeschakelde deskundige te volgen. In dit geval heeft de verzekeringsarts in zijn advies van 4 oktober 2012 de door Huisman toegekende scores gecorrigeerd aan de hand van het uitvoeringsbeleid dat bij het PTSS protocol behoort, de BIR-adviezen en de richtlijnen uit het PTSS protocol zelf. Dit heeft ertoe geleid dat de verzekeringsarts voor de in 4.2 genoemde subrubrieken tot een indeling in een lagere klasse is gekomen.

4.2.2.

In zijn advies van 4 oktober 2012 heeft de verzekeringsarts wat betreft de subrubriek mobiliteit erop gewezen dat betrokkene kan autorijden. Een indeling in klasse 1 is in dat geval op grond van het uitvoeringsbeleid aangewezen. Voor de subrubriek basale communicatie is klasse 0 toegekend omdat niet is gebleken dat betrokkene lijdt aan wanen of psychotische toestandsbeelden, wat op grond van het uitvoeringsbeleid vereist is om te kunnen scoren in deze subrubriek. Voor de subrubriek structuur aanbrengen heeft de verzekeringsarts geen wezenlijke beperkingen geconstateerd. De verzekeringsarts heeft voor de subrubriek omgaan met stressvolle gebeurtenissen geen toestandsbeeld vast kunnen stellen dat past bij de door betrokkene gewenste klasse 3. Klasse 2 acht hij wel gepast. Gelet op de toelichting op de gegeven scores in het advies van de verzekeringsarts, bezien in het licht van de beschikbare medische informatie, is niet aannemelijk gemaakt dat de beperkingen van betrokkene voor deze subrubrieken zijn onderschat.

4.2.3.

Wat de subrubriek slapen betreft, wenst betrokkene ingedeeld te worden in klasse 4. Uit het PTSS protocol volgt dat een indeling in klasse 3 of hoger aan de orde is bij - onder meer - min of meer permanent gebruik van slaapmedicatie. Niet in geschil is dat betrokkene op de peildatum gebruik maakte van melatonine om het slapen te verbeteren. Dit middel wordt echter, zoals de minister heeft toegelicht, op grond van het uitvoeringsbeleid niet erkend als slaapmedicatie als bedoeld in het PTSS protocol. Aan de criteria voor klasse 3 en hoger wordt daarom niet voldaan. Klasse 2 is dan ook niet ten onrechte toegekend.

4.2.4.

Uit de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover het de seksuele functie betreft en voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. De Raad zal bepalen dat betrokkene met ingang van 18 februari 2009 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen, uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 27% en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5%.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de seksuele functie betreft en voor zover

de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat betrokkene met ingang van 18 februari 2009 aanspraak heeft op een militair

invaliditeitspensioen, uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 27% en een bijzondere

invaliditeitsverhoging van 5%.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD