Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
16/5338 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Zorgkantoor heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik kunnen maken, omdat appellante niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Het Zorgkantoor is bevoegd de onverschuldigd aan appellante betaalde voorschotten terug te vorderen. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5338 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2016, 15/5132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat en kantoorgenoot van mr. Brouwer, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Koudijs. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Saro.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellante voor het jaar 2014 een netto persoonsgeboden budget (pgb) verleend van € 4.226,-. Daarbij is aan appellante meegedeeld welke verplichtingen zijn verbonden aan het pgb.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 22 april 2015 het pgb van appellante voor het jaar 2014 vastgesteld op € 1.310,-. Daarbij heeft het Zorgkantoor overwogen dat aan appellante een pgb van € 4.226,- is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat appellante een bedrag van € 1.060,- juist heeft verantwoord. Het Zorgkantoor heeft verder een bedrag van € 2.916,- van appellante teruggevorderd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 april 2015.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante niet aan haar verantwoordingsverplichtingen heeft voldaan, door niet het gehele pgb, maar slechts een bedrag van € 1.060,- giraal aan haar zorgverlener te betalen. Daarnaast vormt de administratie betreffende de contante betalingen een niet toereikend bewijs dat appellante heeft betaald voor ingekochte zorg. Het Zorgkantoor wijst erop dat de overgelegde kwitanties betalingen laten zien die niet overeenkomen met het in de zorgovereenkomst vermelde maandbedrag, dat niet is gespecificeerd hoeveel zorg er is verleend, dat er geen urendeclaraties aanwezig zijn en dat er in de zorgovereenkomst wordt uitgegaan van een vast maandbedrag terwijl er een variabel aantal uren zorgverlening is vastgelegd. Volgens het Zorgkantoor is er ten slotte geen aanleiding om – in het kader van de belangenafweging – tot een andere vaststelling te komen en zijn er geen omstandigheden die maken dat er moet worden afgezien van de terugvordering. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante zich niet aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa genoemde verplichtingen heeft gehouden, nu een deel van de betalingen contant aan de zorgverlener is verricht. Dat de door het Zorgkantoor hierover verstrekte informatie niet tot appellante is doorgedrongen, moet voor haar rekening blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het pgb is besteed aan zorg, nu er geen deugdelijke administratie is bijgehouden. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het Zorgkantoor in redelijkheid tot de besluiten tot vaststelling en terugvordering heeft kunnen komen.

3. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de eerder in het bezwaar- en beroepschrift aangevoerde gronden. Op de zitting is namens appellante benadrukt dat zij haar administratie met goede bedoelingen heeft bijgehouden en dat er bij haar nooit sprake is geweest van een intentie om te frauderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd. Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa, voor zover hier van belang, verricht de verzekerde uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener.

4.1.2.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante een gedeelte van de betalingen aan haar zorgverlener over het jaar 2014 niet giraal, maar contant heeft verricht. Dit betekent dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder j, van de Rsa opgenomen verplichting tot girale betaling. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd om het pgb voor het jaar 2014 lager vast te stellen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.4.

Met de rechtbank en het Zorgkantoor is de Raad van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet maken dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Uit de door appellante overgelegde stukken kan namelijk niet worden afgeleid dat betalingen hebben plaatsgevonden die zijn besteed aan zorg waarvoor het pgb is verleend. Zo zijn er geen urendeclaraties overgelegd waaruit volgt wanneer de zorgverlener de zorg heeft verleend en komen de gestelde betalingen niet overeen met de afspraken uit de zorgovereenkomst. De door appellante aangevoerde omstandigheden leiden dan ook niet tot het oordeel dat het Zorgkantoor bij de afweging van de belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb op een lager bedrag vast te stellen.

4.5.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft kunnen maken, heeft het Zorgkantoor aan appellante onverschuldigd een bedrag van € 2.916,- aan voorschotten betaald en is het tot terugvordering daarvan bevoegd. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Het voorgaande betekent niet dat appellante wordt verweten dat zij de administratie niet met goede bedoelingen zou hebben bijgehouden of dat bij haar sprake zou zijn geweest van een intentie om te frauderen. Het Zorgkantoor kan ook buiten situaties van fraude overgaan tot een lagere vaststelling van het pgb en een terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten, namelijk in een geval als deze waarin de administratie onvoldoende is.

4.7.

Wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.6 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.H. Budde

AB