Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
15/5834 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de relatie tussen betrokkene en BV is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In het midden kan daarom blijven of betrokkene moet worden aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d van de WW in samenhang met de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat betrokkene niet verplicht verzekerd was ingevolge de WW en heeft op goede gronden de aanvraag van betrokkene om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van BV over te nemen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5834 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 juli 2015, 14/4054 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens Uwv heeft J. Kouveld hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.R. Dicke, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Namens Uwv is

mr. G.A. Vermeijden verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Dicke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 31 oktober 2012 is [naam B.V. 1] opgericht door [naam moeder] , moeder van betrokkene, en [naam B.V. 2] . [naam moeder] was volledig eigenaar van [naam B.V. 2] . [naam B.V. 2] . bezat 951 aandelen in [naam B.V. 1] en de overige 49 van de aandelen van [naam B.V. 1] waren in handen van [naam moeder] zelf. In de statuten van [naam B.V. 1] is bepaald dat [naam B.V. 2] . tot bestuurder met de titel algemeen directeur van de vennootschap wordt benoemd.

1.2.

In een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van [naam B.V. 2] . op 31 oktober 2012 is [naam moeder] teruggetreden als algemeen directeur en is betrokkene aangesteld als enig en algemeen directeur van [naam B.V. 2] . Betrokkene en [naam B.V. 1] hebben op 31 oktober 2012 een overeenkomst voor onbepaalde tijd getekend waarin betrokkene als werknemer en [naam B.V. 1] vertegenwoordigd door [naam moeder] als werkgeefster zijn aangeduid. Daarin is bepaald dat betrokkene met ingang van 1 november 2012 bij [naam B.V. 1] in dienst treedt als algemeen directeur. [naam moeder] is met ingang van 1 november 2012 werkzaam voor [naam B.V. 1] als schoonmaakster.

1.3.

Op 27 augustus 2013 is [naam B.V. 1] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 30 augustus 2013 heeft de curator, voor zover er een arbeidsovereenkomst met betrokkene bestaat, deze opgezegd. Betrokkene heeft op 12 september 2013 bij het Uwv een aanvraag gedaan om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van [naam B.V. 1] over te nemen.

1.4.

Bij besluit van 30 september 2013 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat betrokkene niet als werknemer verzekerd is voor de WW. Het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 4 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene geen statutair directeur/bestuurder was en geen deel uitmaakte van de algemene vergadering van aandeelhouders van [naam B.V. 1] Betrokkene moet zich op grond van de statuten zich als bestuurder gedragen naar de aanwijzingen van de algemene vergadering en kon te allen tijde door de algemene vergadering worden geschorst en ontslagen. Hem kon te allen tijde de titel algemeen directeur worden ontnomen. Gelet hierop was betrokkene onderworpen aan het gezag van die vergadering en was er sprake van een contractuele gezagsverhouding tot die vergadering. Naar het oordeel van de rechtbank stond betrokkene daarom in een gezagsverhouding tot [naam B.V. 1] Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9295, en uitspraken van de Raad van

5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:884, en 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:227, heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen ruimte bestaat om betrokkene desondanks niet als werknemer aan te merken wegens het ontbreken van een materiële gezagsverhouding.

3.1.

In hoger beroep heeft Uwv gesteld dat betrokkene ondanks dat hij zelf niet beschikt over enig aandeel van [naam B.V. 1] of van [naam B.V. 2] . dient te worden aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder van [naam B.V. 1] Uwv heeft daartoe verwezen naar het bepaalde in artikel 6 van de WW en artikel 2 eerste lid aanhef en onder d en het tweede lid van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Stcrt. 1997, 248). De arbeidsrelatie van betrokkene wordt daarom niet beschouwd als dienstbetrekking zodat betrokkene geen werknemer is in de zin van de WW. Volgens Uwv is het in dit geval niet relevant of daadwerkelijk sprake is geweest van werkgeversgezag en of dit moet worden beoordeeld op basis van formele of materiële criteria. Daarnaast heeft Uwv gesteld dat het feit dat het bestuur van [naam B.V. 2] . geheel bij betrokkene berust betrokkene tot statutair bestuurder van [naam B.V. 1] maakt.

3.2.

Betrokkene heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat hij geen statutair bestuurder was van [naam B.V. 1] Betrokkene is door de algemene vergadering van aandeelhouders op 31 oktober 2012 benoemd tot enig en algemeen directeur. Omdat betrokkene niet beschikte over enig aandeel in de vennootschap bestond tussen [naam B.V. 1] en betrokkene een gezagsverhouding. De aandeelhoudersvergadering gaf aanwijzingen over het te voeren beleid en zette de lijnen uit voor het bedrijf. Betrokkene stond dan ook onder toezicht en diende verantwoording af te leggen over zijn werkzaamheden en beslissingen. Betrokkene werd geacht de vennootschap te besturen en beslissingen te nemen die daarmee verband hielden en zijn besluiten te verantwoorden aan de aandeelhouder(s). Uit onder meer het stuk van de Inspectie SZW met verklaringen van werknemers van [naam B.V. 1] over de rolverdeling binnen [naam B.V. 1] blijkt volgens betrokkene dat [naam moeder] de dagelijkse werkzaamheden/besluiten met betrokkene besprak. Hieruit volgt volgens betrokkene dat een gezagsverhouding tussen werkgever en hem bestond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is de vraag of betrokkene werknemer was in de zin van de WW. Op grond van artikel 3 van de WW is hiertoe vereist dat betrokkene in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2012 ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van

17 februari 2012 ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3.

Niet in geschil is dat betrokkene gehouden was arbeid te verrichten voor [naam B.V. 1] en daarvoor loon ontving.

4.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene als algemeen directeur in een gezagsverhouding stond ten opzichte van [naam B.V. 1]

4.5.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of betrokkene kan worden aangemerkt als statutair bestuurder van [naam B.V. 1] Uit de onder 1.1 genoemde statuten van

[naam B.V. 1] volgt dat [naam B.V. 2] . statutair bestuurder van

[naam B.V. 1] is. Anders dan Uwv heeft gesteld volgt uit het feit dat betrokkene statutair bestuurder is van [naam B.V. 2] . niet dat hij daardoor tevens statutair bestuurder is van [naam B.V. 1] Gelet op het bepaalde in artikel 2:242 van het BW is het, zoals ook in artikel 16 van de statuten van [naam B.V. 1] is bepaald, de algemene vergadering van aandeelhouders van die vennootschap die de bestuurders benoemt. Nu

[naam B.V. 2] . bij de oprichting van [naam B.V. 1] tot bestuurder is benoemd en de algemene vergadering van aandeelhouders dit nadien niet heeft gewijzigd, is

[naam B.V. 2] . enig statutair bestuurder van [naam B.V. 1] gebleven. Weliswaar is betrokkene op de aandeelhoudersvergadering van 31 oktober 2012 aangesteld als statutair directeur van [naam B.V. 2] . maar dit heeft niet tot gevolg dat betrokkene zelf daardoor statutair bestuurder van [naam B.V. 1] is geworden. Dit blijkt ook uit het Handelsregister, waarin uitsluitend [naam B.V. 2] . als statutair bestuurder van

[naam B.V. 1] is geregistreerd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld doet zich hier niet de situatie voor dat de algemeen directeur door de algemene vergadering kan worden geschorst en ontslagen. Betrokkene was immers geen statutair bestuurder van

[naam B.V. 1] en kan die hoedanigheid dus ook niet ontnomen worden door de algemene vergadering van aandeelhouders. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7009. Dat betrokkene een contractuele relatie heeft met

[naam B.V. 1] en uit dien hoofde de functie van algemeen directeur vervulde doet hier niet aan af.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat betrokkene niet op grond van de in de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak op grond van een formele gezagsverhouding met [naam B.V. 1] als werknemer kan worden aangemerkt. De Raad zal onderzoeken of het standpunt van het Uwv dat betrokkene ook overigens niet werkzaam is geweest in een gezagsverhouding ten opzichte van [naam B.V. 1] , kan worden gevolgd.

4.7.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3634) geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.

4.8.

Uit de door betrokkene op 6 november 2013 aan het Uwv afgelegde verklaring volgt dat [naam moeder] geen bestuurlijke taken binnen [naam B.V. 2] . of [naam B.V. 1] had. [naam moeder] stond onder leiding van betrokkene en zijn voormalige Zorgmanager [naam zorgmanager] . Deze verklaring vindt bevestiging in het verslag van de bespreking met de curator op

29 augustus 2013. Ook uit de verklaringen van werknemers over de rolverdeling binnen

[naam B.V. 1] , blijkt dat betrokkene de feitelijke leiding binnen [naam B.V. 1] had en het gezicht was van [naam B.V. 1] Op grond hiervan heeft appellant voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een gezagsverhouding tussen

[naam B.V. 1] en betrokkene. Het feit dat betrokkene de dagelijkse werkzaamheden met [naam moeder] besprak, zoals door hem gesteld, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om aan te nemen dat aan betrokkene instructies konden worden gegeven over de uitoefening van zijn taken of dat er een mogelijkheid bestond van toezicht of controle daarop. Bovendien was betrokkene als statutair bestuurder van [naam B.V. 2] . bevoegd

[naam B.V. 2] . te vertegenwoordigen in het bestuur van [naam B.V. 1] Dat betekent dat betrokkene bevoegd was zich bezig te houden met het dagelijks beleid van de onderneming en het aangaan en uitvoeren van overeenkomsten. Dat betrokkene genomen besluiten diende te verantwoorden in de algemene vergadering van aandeelhouders van

[naam B.V. 1] , doet hier niet aan af nu betrokkene als vertegenwoordiger van

[naam B.V. 2] . , de meerderheid van de aandelen vertegenwoordigde, en aldus een beslissende stem kon uitbrengen.

4.9.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.8 volgt dat in de relatie tussen betrokkene en [naam B.V. 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In het midden kan daarom blijven of betrokkene moet worden aangemerkt als

directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d van de WW in samenhang met de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

4.10.

Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat betrokkene niet verplicht verzekerd was ingevolge de WW en heeft op goede gronden de aanvraag van betrokkene om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van [naam B.V. 1] over te nemen afgewezen.

5. Uit 4.2. tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 juni 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en mr. A.I. van der Kris en

mr. E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.S.E.S. Umans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer en dienstbetrekking.

AB