Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
16/6149 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met niet gemelde exploitatie hennepkwekerij. Niet geoogst is geen aanleiding om van intrekking / terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6149 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 augustus 2016, 15/2665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Namens appellante is verschenen mr. Schreinemacher. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.M. Ziegerink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 30 mei 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 12 november 2013 heeft de politie [plaatsnaam] in de woning van appellante een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. Naar aanleiding hiervan heeft het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2013.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van

26 november 2013 de bijstand van appellante vanaf 1 november 2013 ingetrokken. Bij besluit van 25 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van

1 september 2013 tot en met 30 november 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.397,19 teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 26 november 2013 en 25 maart 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in de woning van appellante een hennepkwekerij is aangetroffen. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Doordat appellante van de exploitatie van de hennepplantage geen deugdelijke administratie bij heeft gehouden is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2013 tot en met 30 november 2013.

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.

Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is ingevolge artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB, zoals dat luidde sinds 1 juli 2013, het college gehouden de bijstand te herzien, indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

4.4.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidde sinds 1 januari 2013, is het college verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.

4.5.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat de vraag voorligt of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de hennepkwekerij niet bij het college te melden en dat hierdoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat zij geen financieel voordeel heeft genoten. Zij heeft aangevoerd dat zij niet de exploitant was van de hennepkwekerij, dat er geen financiële binding was tussen haar en de kwekerij en dat er op het moment dat de plantage werd opgerold nog geen opbrengsten waren geweest.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Aangezien het ging om de exploitatie van een hennepkwekerij in háár woning diende het appellante redelijkerwijs duidelijk te zijn dat dit van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand en dat zij daarvan uit eigen beweging aan het college opgave diende te doen. Indien appellante niet betrokken was bij de hennepkwekerij had zij dat gelijk moeten melden en duidelijk moeten maken dat haar woning zonder haar toestemming in gebruik was genomen en dat zij daaruit geen inkomsten had. Het college had daar dan op dat moment onderzoek naar kunnen doen. Vergelijk de uitspraak van 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5094.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2055) rechtvaardigt het feit dat in een door een betrokkene gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling dat die betrokkene daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet steeds rekening worden gehouden met inkomsten. Dit geldt ook als nog geen oogst heeft plaatsgevonden. Van schending van de inlichtingenverplichting is niet pas sprake vanaf het moment dat uit een hennepkwekerij inkomsten worden verworven.

4.9.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene omw aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond. Appellante is daarin niet geslaagd. De stelling van appellante dat zij geen inkomsten of ander financieel voordeel heeft genoten uit het kweken van hennep, omdat de hennepplanten in beslag zijn genomen voordat geoogst kon worden, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Het gaat hier immers om op geld waardeerbare arbeid waarvoor een vergoeding gebruikelijk is en bedongen kan worden. De waarde daarvan kan worden bepaald indien van de investeringen in en de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie voorhanden is. Een dergelijke administratie ontbreekt in dit geval.

4.10.

In het niet onderbouwde betoog van appellante dat zij zich in hulpbehoevende omstandigheden bevond, is geen dringende reden gelegen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Daarvan is niet gebleken.

4.11.

Uit 4.2 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) J.L. Boxum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD