Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
16/1853 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) wijziging toetsing door bestuursrechter van besluiten op herhaalde aanvraag of verzoek om terug te komen van besluit. Volledige heroverweging door Uwv. Medische informatie met betrekking tot bestaan CLL in 2005. Uwv kan worden gevolgd in oordeel dat er geen aanleiding bestond terug te komen van de besluiten 1 en 4.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1853 WAO

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
15 maart 2016, 15/2843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en zijn vroegere huisarts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft bij besluit van 30 augustus 2004 (besluit 1) geweigerd appellant met ingang van 7 september 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 24 februari 2005 (besluit 2) vanaf
5 december 2004 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Een verzoek om verhoging van deze uitkering is bij besluit van 12 januari 2006 (besluit 3) afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 17 januari 2008 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van
20 november 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%

(besluit 4).

1.4.

Bij besluit van 18 april 2011 (besluit 5) heeft het Uwv het verzoek van appellant om verhoging van zijn WAO-uitkering met ingang van augustus 2009 afgewezen. In bezwaar heeft het Uwv deze afwijzing aanvankelijk gehandhaafd, maar na een uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2014 alsnog de WAO-uitkering van appellant vanaf 29 augustus 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.5.

Appellant heeft op 18 juni 2012 op een formulier ‘Wijzigingen doorgeven’ aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd en als ingangsdatum van de wijziging ‘2003-2008’ ingevuld. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de medische situatie van appellant vanaf 2003 opnieuw bekeken.

1.6.

Uiteindelijk heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2015 (bestreden besluit) besloten niet terug te komen van de besluiten 1 tot en met 4. Dit betekent dat appellant tot 5 december 2004 niet arbeidsongeschikt wordt geacht, van 5 december 2004 tot 20 november 2007 naar een mate van 55 tot 65%, van 20 november 2007 tot
29 augustus 2009 naar een mate van 15 tot 25% en vanaf 29 augustus naar een mate van 55 tot 65%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv opnieuw heeft beoordeeld of de gezondheidsklachten van appellant destijds aanleiding zouden kunnen geven de mate van arbeidsongeschiktheid anders te beoordelen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat is komen vast te staan dat appellant geen burn-out heeft gehad, maar mogelijk al in 2005 aan chronische lymfatische leukemie (CLL) leed en dat deze diagnose pas in 2008 is vastgesteld. Het Uwv heeft volgens de rechtbank duidelijk en inzichtelijk uiteengezet dat, hoewel appellant aan een ernstige ziekte leed en nog steeds lijdt, op basis van de klachten die appellant destijds had, diens beperkingen toen juist zijn vastgesteld. De ziekteoorzaak is op zich niet relevant. Niet is komen vast te staan dat appellant meer of andere klachten heeft gehad dan destijds is vastgesteld door de verzekeringsartsen. Er zijn geen medische gegevens voorhanden waaruit blijkt dat de beperkingen van appellant verkeerd zijn ingeschat, ook al is destijds een verkeerde diagnose vastgesteld.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van moeheid die veroorzaakt wordt door CLL. Appellant heeft gesteld dat achteraf bezien hij vermoedelijk in 2003 al ongeveer tien verhoogde leuco’s heeft gehad. Destijds is dit niet onderkend, maar is de vermoeidheid toegeschreven aan een

burn-out.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft berust in de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid per
29 augustus 2009. Uit wat ter zitting met appellant is besproken wordt afgeleid dat appellant vindt dat hij tekort is gedaan door hem aanvankelijk in het geheel geen uitkering toe te kennen en over de periode van 20 november 2007 tot 29 augustus 2009 slechts naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit betekent dat het verzoek van 18 juni 2012 om terug te komen van de eerdere besluitvorming ziet op besluit 1 voor zover het gaat om de periode van 7 september 2004 tot 5 december 2004 en op besluit 4 voor zover het gaat om de periode van 20 november 2007 tot 29 augustus 2009 en dat het verzoek erop is gericht ook over deze twee perioden een uitkering te verkrijgen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

4.2.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad, onder verwijzing naar de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3131), haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Deze nieuwe lijn wordt met onmiddellijke ingang gehanteerd.

4.2.2.

Uitgangspunt in het nieuwe toetsingskader is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

4.2.3.

Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.3.

Hoewel het Uwv zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, heeft het Uwv een volledige heroverweging gemaakt van de medische situatie van appellant vanaf 2003 en vastgesteld dat er geen aanleiding bestaat de WAO-uitkering met ingang van een eerdere datum dan
29 augustus 2009 te verhogen.

4.4.

Appellant heeft aan zijn verzoek om terug te komen van de besluiten 1 en 4 ten grondslag gelegd dat op grond van de overgelegde medische stukken ervan moet worden uitgegaan dat hij al in 2003 leed aan CLL. De behandelend internist-hematoloog heeft appellant op
19 juli 2012 bericht dat terugkijkend naar lab-uitslagen van 11 april 2005 gezegd kan worden dat de diagnose toen al gesteld had kunnen worden, maar dat daar in april 2005 (tot oktober 2008) geen onderzoek naar is verricht.

4.5.

De vraag is of het Uwv – nu het bekend was met het feit dat appellant achteraf bezien al sinds 2005 lijdt aan CLL – aanleiding had behoren te vinden de besluiten 1 en 4 te herzien. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Uit de medische rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen die appellant in de loop der jaren hebben gezien, rekening hebben gehouden met de door hem geclaimde vermoeidheidsklachten. Weliswaar heeft verzekeringsarts J. van Asselt in 2007 aanleiding gezien niet langer een urenbeperking aan te nemen, maar de daarvoor in zijn rapport van 8 augustus 2007 gegeven motivering is overtuigend. De verzekeringsarts heeft zich gebaseerd op het dagverhaal van appellant, waaruit toentertijd bleek dat appellant het huishouden verzorgde en zijn kinderen van en naar school bracht. Anders dan in de periode voordien besteedde hij ook weer tijd aan zijn hobby’s (schilderen en werken in de tuin), deed hij aan fysiogym en ging hij wekelijks naar een zangkoor en naar de kerk. Appellant werkte in die periode bovendien als vrijwilliger met vluchtelingen. Ook uit het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep A. van den Broeke-Spieker van 7 december 2007 blijkt dat deze destijds geen urenbeperking aangewezen achtte. Verzekeringsarts bezwaar en beroep H.E. van der Horst heeft in zijn rapporten van
14 april 2014 en 6 maart 2015 uitgebreid de ontwikkeling in de medische situatie van appellant beschreven. Hij heeft voorts uiteengezet dat gelet op het (destijds) actuele dagverhaal en de actuele bevindingen geen aanleiding werd gezien voor een duurbeperking en dat dit niet anders zou hebben uitgepakt, als hierbij een diagnose CLL (in ontwikkeling) bekend was geweest. Hij heeft daarbij betekenis gehecht aan het feit dat appellant, ook nadat de diagnose CLL was gesteld, niet is behandeld in verband met de vermoeidheidsklachten. Bovendien blijkt uit een brief van de behandelend internist aan de huisarts van appellant van 11 november 2008, dat de toen bij appellant bestaande klachten van ernstige vermoeidheid en buitengewoon geringe inspanningstolerantie niet waren te verklaren uit de geconstateerde CLL. Dat dit in 2005 anders was is niet aannemelijk. Het Uwv kan dan ook worden gevolgd in het oordeel dat er geen aanleiding bestond terug te komen van de besluiten 1 en besluit 4.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017.

(getekend) E. Dijt

De griffer is verhinderd te ondertekenen.

SS