Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
17/3504 AW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In de hervatting van de re-integratie op zo kort mogelijke termijn ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. Het rapport van de verzekeringsarts van het Uwv zal bij de beoordeling worden betrokken. Uitgangspunt is dan ook dat herstel van verzoeker is te verwachten binnen een half jaar na datum beoordeling. Een ontslagbesluit per 1 mei 2017 is hiermee niet te verenigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat het ontslagbesluit in stand zal blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3504 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Minister van Veiligheid en Justitie (de minister)

Datum uitspraak: 21 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het namens de minister door de Raad van eigenaren van het Studiecentrum Rechtspleging (SSR) genomen besluit van 24 april 2017.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Namens de minister heeft mr. A.M. de Jong, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. I.L. Gerrits, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong, mr. C. Dijkshoorn en E.C.N. Hage.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker is met ingang van 1 april 2010 gestart met de opleiding tot rechterlijk ambtenaar (raio-opleiding) en in dat kader door de minister benoemd tot raio in tijdelijke dienst bij het SSR. Per 1 april 2013 is de tijdelijke aanstelling omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Verzoeker heeft zijn raio-opleiding per 1 april 2010 aangevangen bij de rechtbank [locatie A] , inmiddels opgegaan in de rechtbank [locatie B] .

1.2.

Op 22 september 2014 is verzoeker als gevolg van een ongeval arbeidsongeschikt geraakt en uitgevallen voor zijn werkzaamheden als raio. Bij besluit van 7 december 2016 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzoeker per 1 oktober 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wegens arbeidsongeschiktheid van 51,45%. Volgens de aan dit besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportage is de prognose dat de functionele mogelijkheden in de komende tijd nog kunnen verbeteren.

1.3.1.

Op 27 februari 2017 heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt om de aanstelling van verzoeker per 1 mei 2017 te beëindigen met toepassing van artikel 35b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) op grond van ongeschiktheid wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid. De aanleiding was dat de bedrijfsarts op 20 februari 2017 had gerapporteerd dat verzoeker herstellende is, maar dat volledig herstel binnen een periode van zes maanden na de eerste twee jaren van arbeidsongeschiktheid niet te verwachten is.

1.3.2.

In zijn zienswijze op het ontslagvoornemen heeft verzoeker benadrukt dat er nog geen sprake is van een medische eindsituatie. Hij volgt sinds eind september 2016 neurofeedbacktraining, die blijkens het tussentijds verslag van de behandelaar

[naam behandelaar] van 7 maart 2017, significante cognitieve verbetering bewerkstelligt. Verzoeker vraagt de minister om in afwachting van afronding van deze training de re-integratie weer op te pakken.

1.3.3.

Bij besluit van 24 april 2017 (ontslagbesluit) heeft de minister verzoeker overeenkomstig het voornemen per 1 mei 2017 ontslagen. Als gevolg van dit ontslag is de raio-opleiding per gelijke datum beëindigd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang heeft verzoeker gewezen op het belang van hervatting van zijn

re-integratie op zo kort mogelijke termijn, nu hij blijkens het afsluitende rapport

van [naam behandelaar] van 19 juni 2017 cognitief weer op niveau is gekomen. Op grond van dit rapport heeft de bedrijfsarts op 26 juni 2017 geconcludeerd dat er geen medische beperkingen meer zijn en hij zijn werk en de opleiding kan hervatten. De verzekeringsarts van het Uwv, aan wie de minister op grond van artikel 35c van het Brra een oordeel heeft gevraagd omdat partijen het oneens zijn over het ontslag, heeft op 17 juli 2017 de verwachting uitgesproken dat verzoeker binnen een half jaar na datum beoordeling weer zijn eigen werk kan doen.

1.4.

Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het ontslagbesluit te schorsen, te bepalen dat de minister hem in de gelegenheid stelt zijn re-integratie te hervatten en - met inachtneming van zijn gezondheidstoestand - zijn raio-opleiding af te maken.

2. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.1.

Ingevolge artikel 35b, eerste en tweede lid, van het Brra, is ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid slechts mogelijk indien:

a. de ongeschiktheid van de rechterlijk ambtenaar twee jaar onafgebroken heeft geduurd;

b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en

c. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie als bedoeld in

artikel 24a, tweede lid, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.

2.2.2.

Artikel 35c van het Brra bepaalt:

1. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, betrekt de functionele autoriteit de uitslag van de beoordeling door het Uwv van de aanvraag op grond van artikel 64 van de WIA.

2. Indien de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, door het Uwv niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan aan het Uwv een oordeel als bedoeld in

artikel 32, derde lid, van de Wet Suwi worden gevraagd en betrekt de functionele autoriteit dit bij zijn beoordeling.

2.3.

De minister heeft, op basis van het rapport van [naam behandelaar] van 19 juni 2017 en de conclusies van de bedrijfsarts intrekking van het ontslagbesluit in overweging genomen. Hij heeft het ontslagbesluit toch in stand gelaten, omdat hij uit de wens van verzoeker om het ‘oude’ re-integratieschema te hervatten heeft afgeleid dat het re-integratietraject nog tot

12 maart 2018 zou duren en het bovendien volgens verzoeker onzeker was of hij na afloop van dat opbouwschema wel volledig hersteld zou zijn. Verzoeker heeft benadrukt dat het niet zijn bedoeling is dat het re-integratietraject tot 12 maart 2018 duurt en dat hij zich achter het oordeel van de verzekeringsarts van het Uwv schaart. Bij de behandeling van het verzoek ter zitting van de Raad is gebleken dat beide partijen het belang zien van hervatting op zo kort mogelijke termijn van de re-integratie van verzoeker en dat zij het erover eens zijn dat de door de verzekeringsgeneeskundige van het Uwv genoemde termijn van een half jaar pas zal starten op de dag waarop verzoeker de re-integratiewerkzaamheden feitelijk hervat. Partijen verschillen echter van mening over de voorwaarden waaronder de re-integratie moet plaatsvinden en de consequenties indien de re-integratie in dat halve jaar onverhoopt niet (volledig) zou slagen. Voor de minister is dit reden om het ontslagbesluit niet ongedaan te maken.

2.4.1.

In de hervatting van de re-integratie op zo kort mogelijke termijn ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal daarom antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het ontslagbesluit niet in stand zal blijven.

2.4.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 35c, tweede lid, van het Brra, dient het rapport van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 juli 2017 bij de beoordeling te worden betrokken. Uitgangspunt is dan ook dat herstel van verzoeker is te verwachten binnen een half jaar na datum beoordeling; gelet op wat in 2.3 is overwogen in casu na datum feitelijke hervatting. Een ontslagbesluit per 1 mei 2017 is hiermee niet te verenigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat het ontslagbesluit in stand zal blijven.

2.4.3.

Naar aanleiding van wat ter zitting is besproken en ter voorlichting van partijen, merkt de voorzieningenrechter nog op dat het in beginsel aan het bestuursorgaan is om, vanzelfsprekend met inachtneming van de rechtspositieregeling en zo mogelijk in overleg met de betrokkene, voorwaarden te stellen aan het verloop van een re-integratietraject. Deze voorwaarden kunnen echter niet zover gaan dat daarin al bij voorbaat een (voorwaardelijk) ontslagbesluit wordt opgenomen voor het geval de re-integratie onverhoopt niet zou slagen. Voor een dergelijke situatie biedt het Brra toereikende voorzieningen. De toepassing daarvan vereist alsdan separate besluitvorming.

2.5.

Uit 2.4.1 en 2.4.2 volgt dat de voorzieningenrechter, bij afweging van de belangen, aanleiding ziet om het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe te wijzen en het ontslagbesluit te schorsen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te bepalen wanneer de voorlopige voorziening vervalt, zodat voor de duur van de voorziening het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, van de Awb geldt.

2.6.

Er bestaat verder aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 990,- voor kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

- schorst het besluit van 24 april 2017;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat de minister aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.A. de Graaff

HD