Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
15/6294 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5741, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:354
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen verzwegen mede-eigendom onroerend goed in Spanje. IJI-rapport geeft wettelijk vermoeden van gemeenschappelijkheid aan van Spaans recht. Appellante heeft vermoeden niet weerlegt. Beroep dat terugvordering niet in verhouding staat tot schending slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/364
JWWB 2017/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6294 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 augustus 2015, 14/2453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 22 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.M. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het college desgevraagd heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.M. van Leeuwen. Als tolk is verschenen

A.M. van den Berg-Barrio Y Mendez. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Avedissian. Als getuige is gehoord [naam ex-echtgenoot] , de ex-echtgenoot van appellante.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 20 oktober 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij is op 18 juli 1981 in het huwelijk getreden met haar ex-echtgenoot en dit huwelijk is op 29 september 1997 ontbonden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante sinds haar echtscheiding nog samenwoont met haar ex-echtgenoot, zij en haar ex-echtgenoot samen onroerend goed hebben in Spanje en appellante schoonmaakwerkzaamheden verricht, heeft een sociaal rechercheur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar de bezittingen van appellante in Spanje. Uit navraag bij het centrale eigendomsregister voor onroerend goed in Spanje blijkt dat appellante sinds 1981 staat geregistreerd als

mede-eigenaar van een onroerend goed in de gemeente [naam gemeente] . Bij navraag bij het eigendomsregister van de gemeente [naam gemeente] blijkt het te gaan om een woning op het adres

[adres] te [naam gemeente] . Die woning is online via diverse websites getaxeerd, met een gemiddelde waarde van € 187.857 (taxatierapport 1). De resultaten van het IBF onderzoek zijn op 18 juni 2013 aan de sociaal rechercheur verzonden. Op 5 juli 2013 heeft de sociaal rechercheur appellante gehoord. De bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de sociaal rechercheur neergelegd in een rapport van 18 juli 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 augustus 2013 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2013 in te trekken en bij besluit van 14 augustus 2013 (besluit 2) de bijstand over de periode van

20 oktober 2004 tot en met 30 juni 2013 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 115.443,90 (bruto) van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante geen dan wel onvolledige, onjuiste of te late inlichtingen heeft verstrekt en het college daarom het recht op bijstand niet kan vaststellen.

1.4.

Bij besluit van 26 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat gelet op het eigendomsrecht vaststaat dat appellante mede-eigenaar is van de woning met een geschatte waarde van € 187.857,-. Het college erkent dat de lagere waarde van de woning ten bedrage van € 163.369,- opgenomen in de taxatie van 20 augustus 2013, die appellante in bezwaar heeft overgelegd (taxatierapport 2), waarschijnlijk een beter beeld geeft dan de online taxaties, maar dit behoeft niet te leiden tot wijziging van de intrekking en de hoogte van de terugvordering. Vaststaat dat appellante op 1 juli 2013 en over de periode van 20 oktober 2004 tot en met 30 juni 2013 een onroerende zaak bezat met een waarde boven het voor haar geldende vrij te laten bescheiden vermogen. Zij heeft daarvan bij het college in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding gemaakt. Voorts kan ook niet schattenderwijs worden bepaald, dat de herziening en daarmee de vordering niet in verhouding staat tot de daadwerkelijke waarde van de woning.

1.5.

Appellante heeft in beroep een taxatierapport overgelegd dat in opdracht van haar

ex-echtgenoot is opgesteld (taxatierapport 3). In taxatierapport 3 is de waarde van de woning in 2004 getaxeerd op € 167.096,40.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft ter ondersteuning van haar beroepsgronden een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te Den Haag van 9 maart 2017 overgelegd. In dat rapport wordt geconcludeerd dat op het huwelijksvermogensregime van appellante en haar ex-echtgenoot het Spaanse recht van toepassing is. Omdat de woning na het huwelijk is geleverd krachtens een notariële akte, valt de tijdens het huwelijk verkregen woning onder de wettelijk geregelde (beperkte) huwelijksgemeenschap van goederen. Het wettelijk vermoeden van gemeenschappelijkheid is weerlegbaar. Appellante zal dan bewijs moeten leveren dat het om een privégoed van haar ex-echtgenoot gaat door het overleggen van bewijsstukken, in het bijzonder een openbaar stuk dat de woning is gefinancierd uit eigen middelen van de ex-echtgenoot. Uit de beschikbare stukken blijkt genoegzaam dat de

ex-echtgenoot de koper is en alle kosten voor zijn rekening komen. Volgens het IJI is dat een sterke aanwijzing voor het privékarakter van de woning. Verder heeft appellante nog een rapport van een architect, [naam architect] , van november 2015 overgelegd (taxatierapport 4). In dit rapport staat dat de marktwaarde van de woning in 2004 € 149.654,- bedraagt en 50% van die marktwaarde bij verkoop aan appellante toekomt, een bedrag van

€ 74.827,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 20 oktober 2004, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 13 augustus 2013, de datum van het besluit tot intrekking.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college bevestigd dat de grondslag van het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat gedurende de gehele te beoordelen periode bij appellante sprake is van vermogen boven het vrij te laten vermogen.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Uit het onderzoek van het IBF is naar voren gekomen dat uit informatie van het eigendomsregister van [naam gemeente] van 22 mei 2013 blijkt dat in [naam gemeente] een woning op naam van appellante en haar ex-echtgenoot staat geregistreerd vanaf 23 oktober 1981.

4.5.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.6.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning toebehoorde aan haar ex-echtgenoot, zodat zij daarover niet kon beschikken. Dat de

ex-echtgenoot van appellante rekeningen zou hebben betaald die betrekking hadden op het gebruik van de woning en daarvan het feitelijk gebruik zou hebben gehad, is daartoe onvoldoende. Uit de door appellante in bezwaar overgelegde inschrijving van pandnummer [pandnummer] van 15 december 1981 blijkt ook dat de inschrijving is verricht ten gunste van de huwelijksgemeenschap van de echtgenoten. Voorts heeft het college in reactie op het rapport van het IJI erop gewezen dat tussen appellante en haar ex-echtgenoot, zoals blijkt uit een rapportage van 15 januari 2015, gesprekken zijn gevoerd over een mogelijke uitkoopregeling, waardoor het in de woning gebonden vermogen te gelde zou kunnen worden gemaakt. Een dergelijke regeling is echter niet tot stand gekomen. Het voeren van het gesprek over een uitkoopregeling met betrekking tot de woning, getuigt er van dat appellante wel over de woning kon beschikken en dat zij mede-eigenaar van de woning is. Ook het beroep op het rapport van het IJI kan appellante niet baten. Hieruit blijkt dat volgens de opsteller van het rapport de woning onder de huwelijksgemeenschap valt, maar dat dit wettelijk vermoeden van gemeenschappelijkheid weerlegbaar is. Van enige actie van de kant van appellante om het vermoeden van gemeenschappelijkheid, als genoemd in het rapport van het IJI, te weerleggen is niet gebleken. De enkele, overigens ook niet door objectieve en verifieerbare gegevens ondersteunde, verklaring van de getuige ter zitting dat hij de woning heeft aangekocht en gefinancierd kan niet als zodanig gelden.

4.7.

Het college heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellante mede-eigenaar is van de woning. Vaststaat dat zij daarvan bij het college geen melding heeft gemaakt. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat zij daardoor de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.8.

Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan.

4.9.

Het college heeft gelet op het bestreden besluit aangenomen dat in 2013 de waarde van de woning volgens taxatierapport 2 € 163.369,- bedraagt en in 2004 ten minste een geschatte waarde had van € 231.000,-. Daarmee is de bijstand voor de hele periode op nihil te stellen.

4.10.

In taxatierapport 3 is de waarde van de woning in 2004 getaxeerd op € 167.096,40. Nu de helft van die waarde aan appellante toekomt, ligt haar vermogen ook in dat geval ruimschoots boven de voor appellante op 20 oktober 2004 geldende vermogensgrens. Dit geldt ook indien wordt uitgegaan van de in taxatierapport 4 opgenomen waarde van de woning in 2004. De beroepsgrond dat bij de beoordeling van het recht op bijstand uitgegaan moet worden van taxatierapport 3 dan wel 4 in plaats van taxatierapport 2 voor de juiste waarde van de woning in 2004, slaagt daarom niet. Ook in dat geval zou de bijstand op nihil moeten worden vastgesteld.

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat appellante gedurende de gehele te beoordelen periode geen recht had op bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens en dat het college dus op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante met ingang van 20 oktober 2004 in te trekken.

Terugvordering

4.12.

Uit 4.11 volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB in beginsel gehouden is de over de te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

4.13.

Appellante heeft aangevoerd dat in haar geval de terugvordering niet in redelijke verhouding staat tot de aan haar toekomende waarde van de woning en dat het bestreden besluit, waarbij de volledige terugvordering is gehandhaafd, in strijd komt met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.14.

Het gegeven dat artikel 58, eerste lid, van de WWB een verplichtend karakter heeft, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand. Het moet er immers voor worden gehouden dat op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB niet méér kan worden teruggevorderd dan per saldo ten onrechte aan bijstand is verleend. Hierbij is van belang dat een besluit tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB reparatoir van aard is en niet gericht op leedtoevoeging (sanctionering), maar op herstel in de rechtmatige toestand, zoals die zou hebben bestaan indien appellante van meet af aan de juiste inlichtingen had verstrekt. Het is in een dergelijke situatie aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt. Vergelijk de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:995.

4.15.

Appellante heeft hiertoe een beroep gedaan op het eerst in hoger beroep overgelegde taxatierapport 4, dat is opgesteld na de aangevallen uitspraak. Zij heeft gesteld dat zij op basis van 50% van de in dat rapport vastgestelde marktwaarde van de woning in 2004 bij toepassing van een interingsnorm van 1,5 keer de bijstandsnorm, al in 2009 weer voor bijstand in aanmerking zou zijn gekomen.

4.16.

Voorop gesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7266) geen aanleiding bestaat een dergelijke norm die in de uitvoeringspraktijk is ontwikkeld om te beoordelen of iemand voorafgaand aan de aanvraag om bijstand een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, te hanteren bij de intrekking van bijstand. Het college heeft er terecht op gewezen dat niet duidelijk is over welke andere vermogensbestanddelen appellante naast de woning nog beschikte. Reeds gelet daarop slaagt het betoog van appellante niet dat het teruggevorderde bedrag niet evenredig is aan de van het door haar verzwegen vermogen.

4.17.

Uit 4.2 tot en met 4.16 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en Y.J. Klik en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD