Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
16/561 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling laten aanvraag 4:5 Awb. Bank afschriften relevant ook al was betrokkene failliet verklaard en bankrekeningen geblokkeerd. Rb ten onrechte ontbreken echtscheidingsconvenant niet in aanmerking genomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/388 met annotatie van H.W.M. Nacinovic

Uitspraak

16 561 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2015, 15/2344 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.T.P. Tielemans, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Tielemans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is op 5 juni 2014 gescheiden van zijn echtgenote. Betrokkene had een eigen bedrijf, dat op 18 november 2014 door de rechtbank failliet is verklaard. Appellant is tevens persoonlijk failliet verklaard.

1.2.

Betrokkene heeft zich op 21 januari 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet en heeft de aanvraag op 10 februari 2015 ingediend.

1.3.

Bij brief van 21 januari 2015 heeft appellant betrokkene uitgenodigd voor een intake gesprek op 27 januari 2015, onder medeneming van gegevens, waaronder bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van betrokkene van drie maanden voor de eerste melding bij het Uwv werkbedrijf tot dat moment. Betrokkene is op het gesprek verschenen. Aan betrokkene is bij het gesprek een lijst overhandigd met gegevens die hij uiterlijk 10 februari 2015 moest verstrekken, waaronder alle bankafschriften vanaf 18 november 2013 en een kopie van het echtscheidingsconvenant.

1.4.

Bij brief van 1 april 2015 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat een aantal gegevens van betrokkene zijn ontvangen, maar dat betrokkene alsnog uiterlijk op 8 april 2015 alle bankafschriften vanaf 18 juni 2014 en een kopie van het echtscheidingsconvenant dient te verstrekken. Appellant heeft betrokkene erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg heeft dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gesteld.

1.5.

Bij besluit van 13 april 2015, voor zover van belang, heeft appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkene niet heeft voldaan aan het verzoek van 27 januari 2015 om informatie te verstrekken en appellant ook na een tweede verzoek van 1 april 2015 de gegevens niet compleet van betrokkene heeft ontvangen. De bankafschriften van alle betaalrekeningen en spaarrekeningen vanaf 18 juni 2014 ontbreken.

1.6.

Bij besluit van 1 juli 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 april 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat betrokkene niet binnen de geboden hersteltermijn de gevraagde bankafschriften en het echtscheidingsconvenant heeft overgelegd.

1.7.

Betrokkene heeft in beroep bij de rechtbank enkele bankafschriften en het echtscheidingsconvenant overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat onbetwist is dat betrokkene de gevraagde bankafschriften niet (tijdig) heeft overgelegd en dat voor de beoordeling van een bijstandsaanvraag als hier aan de orde inzicht in de financiële situatie van de aanvrager essentieel is. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden echter niet aannemelijk dat de bankafschriften nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. Na een faillissement worden doorgaans alle bankrekeningen van de gefailleerde op de datum van het faillissement bevroren. De curator rekent alle rekeningen tot de failliete boedel en de gefailleerde kan over eventuele tegoeden daarop niet langer zelf beschikken. Onder die omstandigheden, waarbij de rechtbank betrekt dat betrokkene ook persoonlijk failliet is verklaard, is de kans dat er een bankrekening is met in aanmerking te nemen vermogen als zeer gering in te schatten. Ook overigens is het niet aannemelijk dat gegevens van de bankrekeningen van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Verweerder heeft daarom in redelijkheid geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Bankafschriften

4.2.

Niet in geschil is dat betrokkene niet binnen de geboden hersteltermijn alle door appellant opgevraagde bankafschriften heeft overgelegd.

4.2.1.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.2.2.

Appellant wordt gevolgd in zijn beroepsgrond dat de omstandigheid dat betrokkene persoonlijk en zakelijk failliet was verklaard en daarom al zijn bankrekeningen waren geblokkeerd, niet maakt dat de gevraagde bankafschriften niet nodig waren voor een goede beoordeling van de aanvraag. Appellant heeft er terecht op gewezen dat appellant inzicht wilde verkrijgen in de inkomsten en de vermogenspositie van betrokkene en dat op de bankafschriften inkomsten zouden kunnen staan die van belang zijn voor de vaststelling van de bijstand. Appellant heeft er in dit verband bovendien terecht op gewezen dat ook bankafschriften zijn opgevraagd over een periode gelegen voor het faillissement.

4.2.3.

Betrokkene kon voorts redelijkerwijs over de bankafschriften beschikken. Betrokkene heeft de gevraagde bankafschriften in beroep bij de rechtbank overgelegd en betrokkene heeft verklaard dat zijn gemachtigde de bankafschriften voor hem bij de bank heeft opgevraagd. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de bankafschriften niet voor het einde van de hersteltermijn van de bank heeft kunnen verkrijgen. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij naar de bank is geweest en de bankafschriften niet heeft gekregen, maar deze stelling is niet onderbouwd met bewijsstukken. Gelet hierop behoeft het betoog van betrokkene dat zijn curator niet bereid was de bankafschriften aan hem te verstrekken geen bespreking.

Echtscheidingsconvenant

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat betrokkene ook het echtscheidingsconvenant niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd en dat de rechtbank (ten onrechte) heeft nagelaten hierover iets te overwegen.

4.3.1.

Deze beroepsgrond slaagt eveneens. Appellant heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene zowel de gevraagde bankafschriften als het echtscheidingsconvenant niet tijdig heeft overgelegd. Aangezien de rechtbank betrokkene in het gelijk had gesteld wat betreft het ontbreken van de bankafschriften, had de rechtbank ook de beroepsgronden van betrokkene die zagen op het niet overleggen van het echtscheidingsconvenant moeten beoordelen.

4.3.2.

De omstandigheid dat appellant het ontbreken van het echtscheidingsconvenant niet aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd, maakt niet dat appellant dit niet ten grondslag kon leggen aan het bestreden besluit. In de verzoeken van 27 januari 2015 en 1 april 2015 aan betrokkene heeft appellant ook om het echtscheidingsconvenant verzocht. Artikel 7:11 van de Awb staat niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit (deels) op een andere grondslag dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging.

4.3.3.

Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het echtscheidingsconvenant nodig was voor de beoordeling van de aanvraag, omdat hierin de verdeling van de boedel was opgenomen. Dat volgens betrokkene in het echtscheidingsconvenant ten onrechte was opgenomen dat betrokkene nog zou beschikken over bepaalde zaken, doet niet af aan de noodzaak het echtscheidingsconvenant over te leggen. Appellant had immers, na overlegging van het convenant, nader onderzoek daarnaar kunnen doen.

4.3.4.

Niet in geschil is dat betrokkene het echtscheidingsconvenant niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd en evenmin dat hij daarover binnen die termijn kon beschikken.

Conclusie

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.4 volgt dat appellant op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd was de aanvraag van betrokkene buiten behandeling te laten. Wat betrokkene heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat appellant niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en Y.J. klik en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L.V. van Donk

HD