Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
16/151 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9126, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling laten aanvraag. Niet in strijd met wettelijke bepalingen of uitgangspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/151 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 december 2015, 15/3780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 22 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 juli 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft van 19 oktober 2012 tot 8 november 2014 in Turkije verbleven. De duur van zijn verblijf in Turkije was langer dan beoogd, omdat appellant daar enige tijd in detentie heeft doorgebracht. Na zijn terugkeer in Nederland heeft appellant zich op 2 december 2014 gemeld voor een aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft niet gereageerd op de brief van de klantmanager van 5 december 2014 om de in de bijlage bij die brieven genoemde gegevens vóór 17 december 2014 in te leveren. Op de brief van de klantmanager van 19 december 2014 met het verzoek om de gevraagde gegevens vóór

6 januari 2015 toe te zenden heeft appellant wel gereageerd. Appellant heeft niet alle gevraagde gegevens overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 8 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Evenmin staat ter discussie of appellant redelijkerwijs over die gegevens kon beschikken. Het college heeft appellant gewezen op de mogelijkheid om uitstel te vragen, maar appellant heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Anders dan appellant meent, waren de ontbrekende gegevens, zoals bankafschriften over het jaar 2014 en een in het Nederlands vertaalde detentieverklaring, noodzakelijk voor een goede beoordeling van de aanvraag.

4.3.1.

Appellant voert aan dat de keuze voor het buiten behandeling stellen van de aanvraag in strijd is met het verbod op ‘détournement de procédure’, omdat het college met de buitenbehandelingstelling heeft gekozen voor een procedure waarbij appellant in bezwaar minder waarborgen heeft dan wanneer het college de aanvraag zou afwijzen. Daarbij heeft appellant gewezen op het speciale karakter van de Participatiewet (PW) als minimumvoorziening. De buitenbehandelingstelling van een aanvraag om bijstand is volgens appellante in strijd met de bedoeling van de wetgever.

4.3.2.

Deze grond slaagt niet. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, geldt wat bepaald is in de Awb ten aanzien van de behandeling van aanvragen ook voor aanvragen op grond van een bijzondere wet zoals de WWB, tenzij daarin een uitzondering is gemaakt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb en de WWB volgt niet dat de wetgever heeft beoogd de buitenbehandelingstelling van aanvragen om bijstand uit te sluiten in gevallen waarin het college de aanvraag ook kan afwijzen. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat in bijstandszaken buitenbehandelingstelling bij voorkeur achterwege wordt gelaten (zie onder meer de uitspraak van 22 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1173). Deze rechtspraak, die ziet op de toepassing van de WWB, heeft zijn gelding onder de PW behouden.

4.4.

Ook de beroepsgrond van appellant dat het door het college gevoerde beleid strijdig is met de artikelen 3:4 en 4:5 van de Awb en met de geest en het speciale karakter van de PW, slaagt niet. Van enig beleid als door appellant gesteld blijkt niet. In het verweerschrift heeft het college opgemerkt dat hier sprake is van een vaste werkwijze die wordt gevolgd bij onvolledige aanvragen. Omdat appellant onvoldoende heeft gereageerd op de verzoeken van het college om gegevens over te leggen, was het niet mogelijk om de aanvraag te beoordelen. In dit verband wordt voor het overige tevens verwezen naar de onder 4.3.2 genoemde uitspraken.

4.5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. De beroepsgrond van appellant dat het college bij het buiten behandeling laten van de aanvraag niet alle betrokken belangen heeft afgewogen en aldus een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5 van de Awb, slaagt niet. Het college heeft de in aanmerking te nemen belangen in het bestreden besluit genoegzaam naar voren gebracht. Appellant heeft geen specifieke belangen genoemd die het college bij zijn besluit nog zou hebben moeten meewegen. Daarom bestaat geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van appellant gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD