Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
16/642 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen onroerende zaak in Turkije. Uitgaan van waarde in taxatie rapport niet van waarde Tapu senedi. Geen erkende taxateur maakt niet dat taxatie onbetrouwbaar is. Na verkoop eigendom recht niet vast te stellen. Onduidelijkheid over transactie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/642 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 december 2015, 15/2513 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te Turkije (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak: 22 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Namens appellante is verschenen mr. Akdeniz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 7 maart 2008 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een themacontrole op bezit van onroerende zaken hebben sociaal rechercheurs van het team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven onderzocht of appellante onroerende zaken in Turkije in eigendom heeft. Ten behoeve van dit onderzoek heeft het juridisch bureau Tulip van A. Hakan Gürdal ( Gürdal ), advocaat te Turkije, op

20 augustus 2014 een rapport uitgebracht. In dit rapport is vermeld dat uit onderzoek bij het kadastraal register is gebleken dat op naam van appellante een onroerende zaak, zijnde een woning, geregistreerd staat in het district [district] te [plaatsnaam] (de onroerende zaak). Deze onroerende zaak is door aankoop op 25 juli 2011 op naam van appellante gekomen. Volgens een taxatierapport van 19 augustus 2014 bedraagt de waarde bij vrije verkoop 150.000 Turkse Lira (TL), oftewel € 52.000,-. Appellante is naar aanleiding van dit rapport op 26 september 2014 gehoord en het college heeft appellante verzocht bewijsstukken in te leveren met betrekking tot de onroerende zaak. Appellante heeft onder meer drie tapu senedi’s in de Turkse taal overgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van

11 februari 2015. Het college heeft, zoals blijkt uit dit rapport, het voor appellante vrij te laten vermogen vastgesteld op € 10.319,89, omdat bij de wijziging van norm alleenstaande ouder naar norm alleenstaande het vermogen niet opnieuw was vastgesteld. Op grond van de overgelegde tapu senedi’s heeft een van de rapporteurs vastgesteld dat appellante voor de helft eigenaar was van het onroerend goed. Mede omdat appellante bij het gehoor had verklaard dat de woning in 2013 weer van haar naam is gehaald, heeft Gürdal op verzoek van het college op 7 december 2014 opnieuw gerapporteerd. Geconstateerd is dat de helft van de onroerende zaak door appellante op 25 juli 2011 is gekocht en op 2 augustus 2013 is verkocht. Appellante is naar aanleiding van deze nieuwe onderzoeksgegevens nogmaals gehoord.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

30 januari 2015 de bijstand van appellante met ingang van 25 juli 2011 in te trekken en per

30 januari 2015 te beëindigen. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het college de over de periode van 25 juli 2011 tot 1 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand van in totaal € 40.705,26 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan deze besluiten voor de periode van 25 juli 2011 tot en met 2 augustus 2013 ten grondslag gelegd dat de onroerende zaak op 19 augustus 2014 is getaxeerd op € 52.000,-, zodat het vermogen van appellante € 26.000,- bedroeg en het voor haar geldende vrij te laten vermogen overschreed. Voor de periode van 3 augustus 2013 tot 1 januari 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat appellante geen deugdelijke en verifieerbare stukken heeft overgelegd over de verkoop van de onroerende zaak.

1.4.

Bij besluit van 14 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 30 januari 2015 en 11 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 25 juli 2011 tot en met 30 januari 2015. Deze periode is te onderscheiden in twee perioden: de periode van 25 juli 2011 tot en met

2 augustus 2013 (periode 1) en de periode van 3 augustus 2013 tot en met 30 januari 2015 (periode 2). In periode 1 stond de onroerende zaak mede op naam van appellante geregistreerd, in periode 2 was dat niet langer het geval.

Intrekking

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Periode 1

4.3.

Niet in geschil is dat de onroerende zaak gedurende periode 1 voor de helft op naam van appellante stond en dat zij hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college.

4.4.1.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.2.

Appellante is, anders dan zij heeft betoogd, er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de onroerende zaak geen bestanddeel vormde van het vermogen waarover zij daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Zij heeft wel erkend dat zij gedurende periode 1 voor de helft juridisch eigenaar was van de onroerende zaak, maar gesteld dat haar zwager feitelijk volledig eigenaar is gebleven. Zij heeft echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat gedurende periode 1 haar zwager volledig eigenaar was van de onroerende zaak. De in bezwaar overgelegde en dus achteraf opgestelde verklaring van haar zwager, waarin deze haar stelling ondersteunt dat hij er vanwege persoonlijke problemen bij haar op heeft aangedrongen dat zij de woning voor een korte periode op haar naam zou zetten en te kennen geeft dat appellante geen enkele bijdrage heeft gehad als koper dan wel verkoper en nooit eigenaar van de woning is geweest, is daarvoor ontoereikend. Overige gegevens ontbreken. De motieven om mede-eigendom van een onroerende zaak te verwerven zijn voorts niet van belang voor het antwoord op de vraag of de betrokkene over zijn aandeel in die onroerende zaak beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.5.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat haar geen schending van de inlichtingenverplichting kan worden tegengeworpen, aangezien zij kampte met psychische klachten en niet begreep wat zij ondertekende en wat de gevolgen waren van het tekenen van de akte. Appellante was bovendien de Nederlandse taal niet machtig en is ten tijde van de aanvraag om bijstand niet geïnformeerd over haar inlichtingenverplichting.

4.5.2.

Dit betoog slaagt niet. De inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Het gaat erom of appellante gegevens had moeten doorgeven en dit heeft nagelaten. Het bezit van onroerende zaken in Turkije is onmiskenbaar een gegeven waarvan appellante melding had moeten maken bij het college omdat dit van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Uit het toekenningsbesluit van

16 mei 2008 blijkt dat het college appellante heeft gewezen op de verplichting melding te maken van al wat van belang is voor de verlening van bijstand of voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. Appellante had dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij het college moest melden dat een onroerende zaak op haar naam was gesteld. De stelling dat appellante de verplichting niet heeft begrepen omdat zij de Nederlandse taal niet machtig was, kan haar niet baten omdat het onder die omstandigheden op haar weg had gelegen hulp te zoeken om daarover helderheid te verkrijgen. Uit het gehoor van 26 september 2014 volgt bovendien dat zij zich laat bijstaan door derden, omdat zij zeker wil weten wat er precies in de brieven staat. Verder blijkt uit de door appellante nader overgelegde stukken weliswaar dat appellante intellectueel beperkt is en dat zij in januari 2016 leed aan een depressieve stoornis en een posttraumatische stress-stoornis, maar hieruit volgt niet dat zij in 2011 en 2013 niet heeft begrepen wat zij tekende en de gevolgen daarvan niet overzag. Uit haar verklaring van 26 september 2014 volgt dat appellante, hoewel zij wist dat zij wijzigingen in haar vermogenssituatie moest doorgeven aan het college, de tenaamstelling niet heeft doorgegeven omdat zij het deed om haar zwager te helpen en de woning in haar optiek niet van haar was. Appellante had echter moeten beseffen dat zij daarvan opgave aan het college moest doen. De rechtbank heeft het college daarom terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het bezit van onroerend goed in Turkije niet aan het college te melden.

4.6.1.

Appellante bestrijdt de waarde zoals vastgesteld in het taxatierapport dat is opgemaakt in opdracht van het college. Zij stelt dat moet worden uitgegaan van de verkoopwaarde vermeld in het eigendomsbewijs van 2 augustus 2013, namelijk 37.000 TL (€ 13.317,-).

4.6.2.

Het enkele feit dat uit het door Saka Vastgoed uitgebrachte taxatierapport niet blijkt dat het is opgemaakt door een erkend taxateur, zoals appellante heeft aangevoerd, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat dit taxatierapport onbetrouwbaar is. In het rapport van Gürdal staat dat de taxatie is opgesteld door een ter zake deskundige makelaar en er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit onjuist is. Verder is in het rapport vermeld dat de waardebepaling is gebaseerd op een bezichtiging ter plaatse en dat hierbij is uitgegaan van de prijs per vierkante meter voor bouwgrond. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet deugdelijk zou zijn. Dat het voor appellante niet duidelijk was waarop de prijs per vierkante meter is gebaseerd, doet er niet aan af dat zij zelf een lokale taxateur had kunnen inschakelen om de woning in Turkije te taxeren om zo tot de naar haar opvatting juiste waardebepaling te komen. Dat sprake is geweest van een zichttaxatie doet evenmin afbreuk aan de deugdelijkheid van het rapport, reeds omdat bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak is uitgegaan van de bouwgrond. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat aan de verkoopwaarde zoals vermeld op de

tapu senedi’s en aan de opgave onroerend zaak belasting minder gewicht toekomt dan aan het taxatierapport, omdat een tapu senedi een uittreksel is uit het eigendomsregister waarbij de gegevens worden aangedragen door vervreemder en verkrijger van de onroerende zaak en de onroerend zaakbelasting plaatsvindt naar opgave van de belastingplichtige eigenaar die baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. Het college mocht dan ook van de uit het taxatierapport blijkende waarde uitgaan.

4.7.

Appellante heeft niet bestreden dat, uitgaande van een waarde van € 52.000,- van de onroerende zaak, haar vermogen gedurende periode 1 hoger was dan het vrij te laten vermogen, zodat zij geen recht had op (aanvullende) bijstand. Gelet daarop en in aanmerking genomen de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, was het college verplicht de bijstand over die periode in te trekken.

Periode 2

4.8.

Uit de eigendomsbewijzen blijkt dat op 2 augustus 2013 de eigendom van de onroerende zaak is gewijzigd door verkoop. Appellante heeft ook deze verkoop in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet gemeld bij het college.

4.9.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Bij schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van het bezit van onroerende zaken is het aan de betrokkene om met gegevens te komen aan de hand waarvan de ontwikkeling van de waarde van de onroerende zaak had kunnen worden bepaald en vervolgens het recht op (aanvullende) bijstand had kunnen worden vastgesteld.

4.10.

Appellante heeft dergelijke gegevens niet aangedragen. Uit de eigendomsbewijzen blijkt dat bij de verkoop van het aandeel van appellante in de onroerende zaak op 2 augustus 2013 als verkoopwaarde 37.000 TL is vermeld. Dit roept de vraag op of met deze transactie geld gemoeid is geweest. Het college hoefde niet zonder meer af te gaan op de enkele verklaring van appellante en haar zwager dat zij alleen heeft geholpen en heeft hierover nadere gegevens mogen opvragen. Appellante heeft ook in hoger beroep niet de door het college gevraagde duidelijkheid verschaft over de verkoop. Het college heeft dan ook op goede grond geconcludeerd dat, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand over periode 2 niet is vast te stellen. De intrekking van de bijstand over deze periode houdt eveneens in rechte stand.

Terugvordering

4.11.

Uit 4.7 en 4.10 volgt dat het college tevens op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (PW) gehouden was de over de periode van 25 juli 2011 tot en met 30 januari 2015 gemaakte kosten bijstand van appellante terug te vorderen. Anders dan appellante lijkt te betogen, betreft dit geen bevoegdheid maar een verplichting van het college, zodat beleid geen rol speelt.

4.12.

Appellante heeft tegen de terugvordering aangevoerd dat - zo begrijpt de Raad - de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet evenredig is met de omvang van het door haar verzwegen vermogen en dat bij de vaststelling van de hoogte van het terugvorderingsbedrag daarmee rekening had moeten worden gehouden. Niet in geschil is dat artikel 58, eerste lid, van de PW, dat een verplichtend karakter heeft, er niet aan in de weg staat dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand, omdat het besluit tot terugvordering reparatoir van aard is. Het is in een dergelijke situatie aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt. Vergelijk de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1688. Voor periode 1 geldt dat het college in het reparatoire karakter van het besluit tot terugvordering geen aanleiding behoefde te zien om het terugvorderingsbedrag te verlagen omdat dit bedrag, voor zover dat ziet op periode 1, niet onevenredig hoog is ten opzichte van het bedrag van de vermogensoverschrijding. Nu onduidelijkheid is blijven bestaan over de financiële positie van appellante in periode 2 en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in (een gedeelte van) die periode wel recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad bij nakoming van de inlichtingenverplichting, is de door haar bedoelde onevenredigheid voor die periode niet vast te stellen.

4.13.

Appellante heeft ten slotte nog aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering van de te veel gemaakte kosten van bijstand. Zij heeft daarbij verwezen naar overgelegde stukken over haar gezondheidstoestand. Dringende redenen kunnen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834) slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid of financiële consequenties van een terugvordering voor een belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellante is hiervan geen sprake. De door haar vermelde omstandigheden hebben immers geen betrekking op de gevolgen van de terugvordering.

5. Uit 4.2 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD