Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
16/1851 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:871, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 april 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren van 10% van de omvang van de dienstbetrekking, zijnde 3,69 uren per week op 1 maart 2015. Gelet op de duidelijke tekst van art. 3:5 lid 3 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat het voor het intreden van de werkloosheid ontvangen prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Er is geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van art. 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het prepensioen is ontstaan. De tekst van art. 34 van de WW, noch de tekst van art. 3:5 van het AIB en de nota’s van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v. en Stb. 2015, 43, blz. 17-18) bieden daartoe aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0218

Uitspraak

16/1851 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2016, 15/5688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.J. Damen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/7186 en 16/7907, plaatsgevonden op 31 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voltijds in dienst van [werkgever] . Per
1 maart 2015 is de omvang van zijn dienstbetrekking teruggebracht met 10%. Vanaf dezelfde datum ontvangt appellant 10% van zijn ABP KeuzePensioen (keuzepensioen). Een maand later, per 1 april 2015 is zijn dienstbetrekking geheel geëindigd. Appellant heeft ervoor gekozen het keuzepensioen voor het kleinst mogelijke deel te laten ingaan vóór het einde van zijn dienstbetrekking om de verhoging van het keuzepensioen in verband met het vervallen van de tot 2006 geldende Flexibel Pensioen en Uittreden-regeling, het zogenoemde voorwaardelijke pensioen, veilig te stellen.

1.2.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 april 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een arbeidsurenverlies van 33 per week en een dagloon van € 156,06. Appellant heeft het Uwv verzocht om de omvang van de werkloosheid vast te stellen op 36,25 uur en het dagloon te herzien en vast te stellen op € 170,61.

1.3.

Het Uwv heeft naar aanleiding van dat verzoek bij besluit van 9 juni 2015 appellant met ingang van 1 april 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37 per week en een dagloon van € 173,70. Het Uwv heeft het keuzepensioen van € 133,59 per maand op de WW-uitkering in mindering gebracht.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 3 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht het keuzepensioen op de WW-uitkering van appellant in mindering heeft gebracht nu appellant in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een GAA van 37 per week. Dit volgt uit artikel 3:5, derde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitzonderingssituaties van artikel 3:5, derde lid, van het AIB op hem van toepassing is omdat het keuzepensioen al werd genoten voordat het recht op WW ontstond en betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Indien het eerste arbeidsurenverlies bij de toekenning van de uitkering buiten beschouwing gelaten had moeten worden is appellant van mening dat de omvang van de werkloosheidsuitkering alsnog moet worden herzien naar 36,25 uur. Appellant heeft gewezen op vergelijkbare gevallen waarbij het Uwv een WW-uitkering heeft toegekend zonder dat er een korting op de uitkering wordt toegepast wegens keuzepensioen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3504), 4 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4137) en
25 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:960) aangevoerd dat de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering op de hoofdregel dat pensioen in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering restrictief moet worden toegepast. Dit brengt met zich dat een bedrag aan pensioen dat vóór de werkloosheid wordt ontvangen slechts niet op de WW-uitkering in mindering komt als dat bedrag alleen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Anders gezegd: het GAA van de WW-uitkering mag in het geheel niet beïnvloed zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. Aan deze voorwaarde is pas voldaan als er geen enkel verband is tussen het ontvangen van pensioen en het arbeidsurenverlies dat aan de betreffende WW-uitkering ten grondslag ligt. Zolang arbeidsuren van het eerdere arbeidsurenverlies ook deel uitmaken van het latere arbeidsurenverlies is er nog geen sprake van werkloosheid over de resterende uren. Steun hiervoor ziet het Uwv in de toelichting op de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering dat korting niet aan de orde is als de betrokkene werkloos wordt voor “de resterende uren”. Het arbeidsurenverlies van 37 dat ten grondslag ligt aan de WW-uitkering van betrokkene komt mede voort uit verlies van arbeidsuren dat hij op 1 augustus 2015 al leed. Gelet hierop is de uitzondering van artikel 3:5, derde lid, van het AIB niet op hem van toepassing.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 34, eerste lid, van de WW is bepaald dat inkomen geheel op de uitkering in mindering wordt gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 34, tweede lid, van de WW wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Dit is gebeurd in het AIB.

4.3.

In artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB is bepaald dat tot het inkomen wordt gerekend: een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

4.4.

In artikel 3:5, derde lid, van het AIB is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet tot het inkomen wordt gerekend de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

4.5.

In de nota van toelichting bij artikel 3:5, derde lid, van het AIB (Stb. 2012, 79, blz. 40) is het volgende vermeld:

“In het derde lid is geregeld dat een uitkering als bedoeld in artikel 3:6 (lees: 3:5), eerste lid, onderdeel a niet tot het inkomen wordt gerekend. Het gaat om de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van zijn werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.”

4.6.

Niet in geschil is dat het pensioen dat appellant vanaf 1 maart 2015 heeft ontvangen een uitkering is als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB. Evenmin in geschil is dat deze uitkering voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen als bedoeld in artikel 3:5, derde lid, van het AIB. In geschil is of is voldaan aan de in het derde lid opgenomen voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

4.7.

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 april 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren van 10% van de omvang van de dienstbetrekking, zijnde 3,69 uren per week op 1 maart 2015. Gelet op de duidelijke tekst van het derde lid van artikel 3:5 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. De in de onder 4.5 geciteerde passage uit de nota van toelichting en de daarin gebruikte bewoordingen “resterende uren” bieden onvoldoende aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij het (in de referteperiode opgebouwde) GAA als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de WW. Hetgeen het Uwv heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. De tekst van artikel 34 van de WW, noch de tekst van artikel 3:5 van het AIB en de nota’s van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v. en

Stb 2015, 43, blz. 17-18) bieden daartoe aanleiding.

4.8.

De verwijzing naar de onder 3.2 genoemde uitspraken van de Raad van 29 oktober 2014 en 4 november 2015 treft geen doel, aangezien in die zaken, anders dan in de onderhavige zaak, sprake was van een pensioen dat ontvangen werd uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit het WW-recht was ontstaan. Voor die situatie geldt de restrictieve uitleg dat als een pensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, het pensioen in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering, ongeacht de omvang van een dienstverband (zie de uitspraak van de Raad van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:300). De verwijzing naar de onder 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 25 maart 2015 treft evenmin doel, nu het ook daar om een andere situatie ging dan in de onderhavige zaak aan de orde is.

4.9.

Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen, is aan de voorwaarden voor het aannemen van de uitzonderingssituatie van artikel 3:5, derde lid, van het AIB voldaan, zodat het Uwv het pensioen ten onrechte met toepassing van artikel 3:5, eerste lid, van het AIB geheel op de WW-uitkering in mindering heeft gebracht.

4.10.

Wat in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant slaagt. De Raad kan, na vernietiging van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, zelf in de zaak voorzien door het besluit van 9 juni 2015 te herroepen voor zover het Uwv daarbij het door appellant vanaf 1 maart 2015 ontvangen pensioen geheel in mindering heeft gebracht op zijn WW-uitkering.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 990.- in beroep, en € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 augustus 2015;

- herroept het besluit van 9 juni 2015 voorzover het Uwv daarbij het door betrokkene vanaf

1 maart 2015 ontvangen pensioen in mindering heeft gebracht op de WW-uitkering van

appellant en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

3 augustus 2015;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.S.E.S. Umans

HD