Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
16/7186 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 oktober 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren van 10% van de omvang van de dienstbetrekking, zijnde 3,69 uren per week op 1 augustus 2015. Gelet op de duidelijke tekst van art. 3:5 lid 3 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat het voor het intreden van de werkloosheid ontvangen prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Er is geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van art. 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het prepensioen is ontstaan. De tekst van art. 34 van de WW, noch de tekst van art. 3:5 van het AIB en de nota’s van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v. en Stb. 2015, 43, blz. 17-18) bieden daartoe aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0217

Uitspraak

16/7186 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 november 2016, 16/1588 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 6 september 2017

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft een hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft K. Ruisch een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/1851 en 16/7907, plaatsgevonden op 31 mei 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was voltijds in dienst van de [werkgever] . Per 1 augustus 2015 is de omvang van zijn dienstbetrekking teruggebracht met 10%. Vanaf dezelfde datum ontvangt betrokkene 10% van zijn ABP KeuzePensioen (keuzepensioen). Per 1 oktober 2015 is zijn dienstbetrekking geheel geëindigd. Betrokkene heeft ervoor gekozen het keuzepensioen voor het kleinst mogelijke deel te laten ingaan vóór het einde van zijn dienstbetrekking om de verhoging van het keuzepensioen in verband met het vervallen van de tot 2006 geldende Flexibel Pensioen en Uittreden-regeling, het zogenoemde voorwaardelijke pensioen, veilig te stellen.

1.2.

Bij besluit van 21 oktober 2015 (primair besluit 1) heeft het Uwv betrokkene met ingang van 1 oktober 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 37 per week en een dagloon van € 189,31. Bij afzonderlijk besluit van 21 oktober 2015 (primair besluit 2) heeft het Uwv het keuzepensioen van betrokkene op de WW-uitkering in mindering gebracht.

1.3.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij besluit van 4 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de korting van het keuzepensioen op de WW-uitkering van betrokkene (primair besluit 2) met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het keuzepensioen gelet op de tekst van artikel 3:5 van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) niet tot het op de uitkering in mindering te brengen inkomen mogen rekenen. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren (primair besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van

29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3504), 4 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4137) en 25 maart 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:960) aangevoerd dat de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering op de hoofdregel dat pensioen in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering restrictief moet worden toegepast. Dit brengt met zich dat een bedrag aan pensioen dat vóór de werkloosheid wordt ontvangen slechts niet op de WW-uitkering in mindering komt als dat bedrag alleen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Anders gezegd: het GAA van de WW-uitkering mag in het geheel niet beïnvloed zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. Aan deze voorwaarde is pas voldaan als er geen enkel verband is tussen het ontvangen van pensioen en het arbeidsurenverlies dat aan de betreffende WW-uitkering ten grondslag ligt. Zolang arbeidsuren van het eerdere arbeidsurenverlies ook deel uitmaken van het latere arbeidsurenverlies is er nog geen sprake van werkloosheid over de resterende uren. Steun hiervoor ziet het Uwv in de toelichting op de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering dat korting niet aan de orde is als de betrokkene werkloos wordt voor “de resterende uren”. Het arbeidsurenverlies van 37 dat ten grondslag ligt aan de WW-uitkering van betrokkene komt mede voort uit verlies van arbeidsuren dat hij op 1 augustus 2015 al leed. Gelet hierop is de uitzondering van artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB niet op hem van toepassing.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 47, eerste lid, van de WW is bepaald op welke wijze de hoogte van de

WW-uitkering wordt berekend en inkomen op de uitkering in mindering wordt gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 47, tweede lid, van de WW wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Dit is gebeurd in het AIB.

4.3.

In artikel 3:5, vierde lid, aanhef en onder a, van het AIB is bepaald dat als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd: een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

4.4.

In artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB is bepaald dat, in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot het inkomen wordt gerekend de uitkering, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.

4.5.

In de nota van toelichting bij artikel 3:5, derde lid, van het AIB (Stb. 2012, 79, blz. 40)

– welke bepaling voorafging aan het per 1 juli 2015 geldende vijfde lid – is het volgende vermeld:

“In het derde lid is geregeld dat een uitkering als bedoeld in artikel 3:6 (lees: 3:5), eerste lid, onderdeel a niet tot het inkomen wordt gerekend. Het gaat om de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van zijn werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.”

4.6.

In de nota van toelichting bij het Besluit van 28 januari 2015 tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in verband met het introduceren van inkomensverzekering in de WW is bij de wijziging van artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB het volgende vermeld (Stb. 2015, 43, blz. 18):

“In het vijfde lid (nieuw), wordt een uitzondering opgenomen op de hoofdregel dat ouderdomspensioen in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. De uitzondering is verplaatst van het derde lid naar het vijfde lid. Een deeltijdpensioen wordt niet gekort op de WW-uitkering die samenhangt met dezelfde (resterende) dienstbetrekking waaruit de werknemer vervolgens (volledig) werkloos wordt. Inhoudelijk is dit geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie.”

4.7.

Niet in geschil is dat het pensioen dat betrokkene vanaf 1 augustus 2015 heeft ontvangen een uitkering is als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, aanhef en onder a, van het AIB. Evenmin in geschil is dat deze uitkering voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen als bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB. In geschil is of is voldaan aan de in het vijfde lid opgenomen voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.

4.8.

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 oktober 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren van 10% van de omvang van de dienstbetrekking, zijnde 3,69 uren per week op 1 augustus 2015. Gelet op de duidelijke tekst van het vijfde lid van artikel 3:5 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren. De in de onder 4.5 geciteerde passage uit de nota van toelichting en de daarin gebruikte bewoordingen “resterende uren” bieden onvoldoende aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij het (in de referteperiode opgebouwde) GAA als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de WW. Hetgeen het Uwv heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. De tekst van artikel 34 van de WW, noch de tekst van artikel 3:5 van het AIB en de nota’s van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v. en

Stb. 2015, 43, blz. 17-18) bieden daartoe aanleiding.

4.9.

De verwijzing naar de onder 3.1 genoemde uitspraken van de Raad van 29 oktober 2014 en 4 november 2015 treft geen doel, aangezien in die zaken, anders dan in de onderhavige zaak, sprake was van een pensioen dat werd ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit het WW-recht was ontstaan. Voor die situatie geldt de restrictieve uitleg dat als een pensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, het pensioen in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering, ongeacht de omvang van een dienstverband (zie de uitspraak van de Raad van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:300). De verwijzing naar de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Raad van 25 maart 2015 treft evenmin doel, nu het ook daar om een andere situatie ging dan in de onderhavige zaak aan de orde is.

4.10.

Gelet op hetgeen onder 4.7 tot en met 4.9 is overwogen, is aan de voorwaarden voor het aannemen van de uitzonderingssituatie van artikel 3:5, vijfde lid, van het AIB voldaan, zodat het Uwv het pensioen ten onrechte met toepassing van artikel 3:5, vierde lid, van het AIB geheel op de WW-uitkering in mindering heeft gebracht.

4.11.

Wat in 4.1 tot en met 4.10 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het Uwv heeft opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 oktober 2015, waarbij het Uwv het door betrokkene vanaf

1 augustus 2015 ontvangen pensioen geheel in mindering heeft gebracht op zijn

WW-uitkering, te herroepen.

4.12.

Betrokkene heeft schadevergoeding verzocht in de vorm van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering. Dit verzoek wordt toegewezen. Voor de berekening van die rente wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 495,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar en € 990,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover is bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing

op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

- herroept het besluit van 21 oktober 2015 waarbij het Uwv het door betrokkene vanaf

1 augustus 2015 ontvangen pensioen in mindering heeft gebracht op betrokkenes

WW-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

4 april 2016;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade zoals onder 4.12 van deze uitspraak is

vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.S.E.S. Umans

HD