Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
16/4207 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 juni 2015 ontvangen prepensioen heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren, te weten de 8 uren per week op 1 maart 2015. Gelet op de duidelijke tekst van art. 3:5 lid 3 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat het voor het intreden van de werkloosheid ontvangen prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Er is geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van art. 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het prepensioen is ontstaan. De tekst van art. 34 van de WW, noch de tekst van art. 3:5 van het AIB en de nota van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v.) bieden daarvoor aanknopingspunt.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 34
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen 3:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0215
USZ 2017/386 met annotatie van A. Wit

Uitspraak

16/4207 WW, 16/5204 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep en op het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2016, 15/3078 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 6 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.E. de Jong incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep van betrokkene.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam geweest bij de [werkgeefster] (werkgeefster) voor 32 uur per week. Met ingang van 1 maart 2015 is betrokkene 24 uur per week gaan werken en kreeg zij voor 8 uur (pre)pensioen. Het dienstverband tussen betrokkene en werkgeefster is per 1 juni 2015 beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst.

1.2.

Betrokkene heeft op 4 mei 2015 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend.

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 juni 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 28 uur per week.

1.4.

Bij een tweede besluit van 16 juni 2015 heeft appellant het door betrokkene per 1 juni 2015 ontvangen pensioen geheel in mindering gebracht op haar WW-uitkering.

1.5.

Bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de onder 1.3 en 1.4 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de in artikel 3:5, vijfde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit (AIB) opgenomen uitzondering niet van toepassing is, omdat de

WW-uitkering van betrokkene mede is gebaseerd op de arbeidsuren voorafgaande aan het toegekende pensioen. Daardoor is geen sprake van een aanvraag voor de resterende uren van werkloosheid na de ingangsdatum van het pensioen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen hoofdregel is dat een pensioenuitkering tot het inkomen wordt gerekend en in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. In artikel 3:5 van het AIB is als uitzondering geregeld dat een uitkering niet tot inkomen wordt gerekend als deze al werd genoten voordat het recht op een WW-uitkering ontstond en betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Omdat het gaat om een uitzondering op de hoofdregel, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd. Ondanks dat de woorden “uit hetzelfde dienstverband” ontbreken, moet wel worden begrepen dat in dat artikellid een uitzondering is gegeven voor de bijzondere situatie dat sprake is van werkloosheid uit een dienstverband, waarin de werknemer reeds eerder een arbeidsurenverlies had geleden. Betrokkene is 32 uur per week werkzaam geweest. Het pensioen met een omvang van 8 uur is ingegaan op 1 maart 2015. Op 1 juni 2015 is het dienstverband, met een urenomvang van 24 uur, tussen betrokkene en werkgeefster beëindigd. Het GAA van betrokkene is vastgesteld op het aantal door betrokkene gewerkte uren in de periode van 1 december 2014 tot en met 31 mei 2015 (de referteperiode), waarmee zowel de door betrokkene gewerkte uren in de periode van

1 december 2014 tot 1 maart 2015 (tot het ingaan van haar pensioen), als de door haar gewerkte uren in de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 mei 2015 (na het ingaan van haar pensioen), van invloed zijn geweest op de vaststelling van het gemiddelde aantal gewerkte uren en daarmee op hoogte van de voor betrokkene vastgestelde WW-uitkering. Het door appellant aan de WW-uitkering ten grondslag gelegde GAA van 28 uur heeft de rechtbank dan ook niet onjuist geacht. Gelet op de wettekst van artikel 3:5 van het AIB en de toelichting daarop, heeft de rechtbank echter geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij betrokkene geen (dan wel gedeeltelijk geen) sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de wet. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant weliswaar te kennen heeft gegeven dat de WW-uitkering mede is gebaseerd op het (hogere) aantal arbeidsuren voorafgaande aan het pensioen, maar dat daarmee niet is verklaard waarom het pensioen alsdan geheel c.q. niet gedeeltelijk in mindering wordt gebracht. Immers, uitgaande van de aanvankelijke omvang van het dienstverband (zijnde 32 uur), zou gesteld kunnen worden, uitgaande van het thans gehanteerde gemiddelde aantal gewerkte uren van 28 uur, dat er 4 uren (van de 8) resteren die onder de uitzonderingssituatie gebracht zouden kunnen worden. Niet gemotiveerd is dat desondanks de gehele 8 uur pensioen in mindering moeten worden gebracht. Het beroep is daarom gegrond en appellant dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van

29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3504), 4 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4137) en 11 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:813), aangevoerd dat de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering op de hoofdregel dat pensioen in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering restrictief moet worden toegepast. Dit brengt met zich dat een bedrag aan pensioen dat vóór de werkloosheid wordt ontvangen slechts niet op de WW-uitkering in mindering komt als dat bedrag alleen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Anders gezegd: het GAA van de WW-uitkering mag in het geheel niet beïnvloed zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. Aan deze voorwaarde is pas voldaan als er geen enkel verband is tussen het ontvangen van pensioen en het arbeidsurenverlies dat aan de betreffende WW-uitkering ten grondslag ligt. Zolang arbeidsuren van het eerdere arbeidsurenverlies ook deel uitmaken van het latere arbeidsurenverlies (GAA) is er nog geen sprake van werkloosheid over de resterende uren. Ondersteuning hiervoor ziet appellant in de toelichting op de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering dat korting niet aan de orde is als de betrokkene werkloos wordt voor “de resterende uren”. Betrokkene ontving met ingang van 1 maart 2015 een bedrag aan pensioen dat betrekking had op een verlies aan arbeidsuren van 8 uur. Van deze 8 uur maakte 4 uur nog deel uit van haar GAA van 28 uur dat ten grondslag lag aan de onderhavige
WW-uitkering. Het bedrag aan pensioen dat betrokkene vanaf 1 maart 2015 ontving had dus niet alleen betrekking op het eerdere arbeidsurenverlies, maar ook op het arbeidsurenverlies dat ten grondslag lag aan de onderhavige WW-uitkering. Bij een restrictieve toepassing van deze bepaling voldoet het bedrag aan pensioen dat betrokkene vanaf 1 maart 2015 ontving dan ook niet aan de in artikel 3:5 van het AIB opgenomen uitzondering. Het pensioen voldoet derhalve in zijn geheel niet aan de voorwaarden om dat bedrag buiten de korting te houden en dient daarom volledig op de WW-uitkering in mindering te worden gebracht.

3.2.

Betrokkene heeft in incidenteel hoger beroep het eerder ingenomen standpunt dat

het pensioen onder de uitzonderingssituatie van artikel 3:5 AIB valt en derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, op de WW-uitkering in mindering kan worden gebracht, gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 34, eerste lid, van de WW is bepaald dat inkomen geheel op de uitkering in mindering wordt gebracht.

4.2.

Op grond van artikel 34, tweede lid, van de WW wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Dit is gebeurd in het AIB.

4.3.

In artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB is bepaald dat tot het inkomen wordt gerekend: een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

4.4.

In artikel 3:5, derde lid, van het AIB is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, niet tot het inkomen wordt gerekend de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

4.5.

In de nota van toelichting bij artikel 3:5, derde lid, van het AIB (Stb. 2012, 79, blz. 40) is het volgende vermeld:

“In het derde lid is geregeld dat een uitkering als bedoeld in artikel 3:6 (lees: 3:5), eerste lid, onderdeel a niet tot het inkomen wordt gerekend. Het gaat om de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van zijn werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.”

4.6.

Niet in geschil is dat het pensioen dat betrokkene vanaf 1 maart 2015 heeft ontvangen een uitkering is als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB. Evenmin in geschil is dat deze uitkering voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen als bedoeld in artikel 3:5, derde lid, van het AIB. In geschil is of voldaan is aan de in het derde lid opgenomen voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.

4.7.

De al voor het intreden van werkloosheid op 1 juni 2015 ontvangen periodieke

pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren, te weten de

8 uren per week op 1 maart 2015. Gelet op de duidelijke tekst van het derde lid van artikel 3:5 van het AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. De in de onder 4.5 opgenomen nota van toelichting opgenomen bewoordingen “resterende uren” bieden onvoldoende aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij het (in de referteperiode opgebouwde) GAA als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5 van het AIB opgenomen zinsnede “eerder verlies van arbeidsuren” uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. De tekst van artikel 34 van de WW, noch de tekst van artikel 3:5 van het AIB en de nota van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v.) bieden daartoe aanleiding.

4.8.

De verwijzing naar de onder 3.1 genoemde uitspraken van de Raad van 29 oktober 2014 en 4 november 2015 treft geen doel, aangezien in die zaken, anders dan in de onderhavige zaak, sprake was van een pensioen dat ontvangen werd uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit het WW-recht was ontstaan. Voor die situatie geldt de restrictieve uitleg dat als een pensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, het pensioen in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering, ongeacht de omvang van een dienstverband (zie de uitspraak van de Raad van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:300). De verwijzing naar de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Raad van 11 maart 2015 treft evenmin doel, nu het ook daar om een andere situatie ging dan in de onderhavige zaak aan de orde is.

4.9.

Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen is aan de voorwaarden voor het aannemen van de uitzonderingssituatie van artikel 3:5, derde lid, van het AIB voldaan, zodat appellant het pensioen ten onrechte met toepassing van artikel 3:5, eerste lid, van het AIB geheel op de WW-uitkering in mindering heeft gebracht. Het in 3.2 weergegeven standpunt van betrokkene is juist.

4.10.

Wat in 4.9 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van betrokkene wel. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank appellant heeft opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 16 juni 2015, waarbij appellant het door betrokkene per 1 juni 2015 ontvangen pensioen geheel in mindering heeft gebracht op haar WW-uitkering, te herroepen.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.485,-. Deze bestaan uit € 495,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar en € 990,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

  • -

    herroept het besluit van 16 juni 2015 waarbij appellant het door betrokkene per 1 juni 2015 ontvangen pensioen in mindering heeft gebracht op betrokkenes WW-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 30 juli 2015;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E. Dijt en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J.W.L. van der Loo

HD