Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
16/733 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het besluit van 27 januari 2014, waarbij appellant schuldig nalatig is verklaard, met de beslissing op bezwaar van 30 juni 2014 formele rechtskracht heeft gekregen. Juist besluit. Dit heeft als gevolg dat het besluit van 27 januari 2014 door de Svb dan ook met recht aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Aan bespreking van de stelling van appellant komt de Raad niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/733 AOW

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 december 2015, 14/5569 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ramdas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de Svb aan appellant met ingang van augustus 2008 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Bij besluit van 27 januari 2014 heeft de Svb appellant 100% schuldig nalatig verklaard over het jaar 2007. Bij besluit van 30 juni 2014 is het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 30 juni 2014 is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft de Svb in verband met de schuldig nalatig verklaring het aan appellant toegekende AOW-pensioen met ingang van augustus 2008 herzien naar 98% van het maximale AOW-pensioen. Bij besluit van eveneens 9 mei 2014 is het over de periode van augustus 2008 tot en met april 2014 onverschuldigd betaalde pensioen van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 23 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb de besluiten van 9 mei 2014 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, omdat appellant voor het jaar 2007 schuldig nalatig is verklaard, het AOW-pensioen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW met 2% is gekort. Van dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien is niet gebleken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet schuldig nalatig is geweest premies te betalen over het jaar 2007.

4. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het besluit van 27 januari 2014, waarbij appellant schuldig nalatig is verklaard, met de beslissing op bezwaar van 30 juni 2014 formele rechtskracht heeft gekregen. Dit betekent dat uitgegaan wordt van de juistheid van dat besluit. Dit heeft als gevolg dat het besluit van 27 januari 2014 door de Svb dan ook met recht aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Aan een bespreking van de stelling dat appellant de verschuldigde premies wel heeft voldaan en hij om die reden niet schuldig nalatig is, komt de Raad in het kader van de vraag of terecht een korting is toegepast niet toe. Het ligt op de weg van appellant om bij de Svb een verzoek om terug te komen van het besluit van 27 januari 2014 in te dienen, indien hij meent dat daartoe aanleiding bestaat. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB