Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
16/2329 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Geen nieuwe gegevens of informatie aangevoerd. Het AISZ laat geen ruimte om het gedeelte van het [naam pensioen] dat de partner ontvangt, buiten beschouwing te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/2329 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 maart 2016, 15/6347 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1945, heeft met ingang van mei 2010 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Hij ontvangt daarnaast een pensioen van Stichting [naam stichting] ( [naam pensioen] ). Bij de echtscheiding zijn appellant en zijn voormalige echtgenote overeengekomen dat het [naam pensioen] wordt verevend, zodat de voormalige echtgenote de helft van dit pensioen ontvangt. Na hun verzoening hebben zij de pensioenverevening om praktische redenen in stand gelaten. Naar aanleiding van een melding van appellant dat hij vanaf oktober 2011 (weer) samenwoont met zijn voormalige echtgenote (partner), heeft de Svb bij besluit van

16 februari 2012 het pensioen met ingang van november 2011 gewijzigd naar de norm van een gehuwde en vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een partnertoeslag. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij brief van 13 maart 2015 heeft appellant met ingang van 1 januari 2012 een partnertoeslag aangevraagd. Bij besluit van 11 mei 2015 is opnieuw vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een partnertoeslag.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Voorts is vastgesteld dat de partner van appellant een gedeelte van het [naam pensioen] ontvangt en dat gelet op de hoogte van dit gedeelte van dit pensioen er geen recht is op een partnertoeslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wat betreft de aanspraken over de periode voorafgaand aan de aanvraag van 13 maart 2015 is geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de aanspraken over de periode vanaf de aanvraag van 13 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de hoogte van het inkomen van de partner zodanig is dat appellant geen recht heeft op partnertoeslag. Daarbij is overwogen dat het gedeelte van het
[naam pensioen] dat de partner ontvangt terecht in aanmerking is genomen.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat dit gedeelte van het [naam pensioen] ten onrechte is meegeteld als inkomen van zijn partner. Volgens appellant moet dit pensioengedeelte worden gezien als (een vorm van) alimentatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat betreft de aanspraken over de periode voorafgaand aan de aanvraag van

13 maart 2015 wordt vastgesteld dat de brief van 13 maart 2015 van appellant een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894, volgt dat in het geval waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant heeft geen nieuwe gegevens of informatie aangevoerd. Appellant heeft aangevoerd dat het

[naam pensioen] dat de partner ontvangt moet worden gezien als alimentatie. Dit argument had al tegen het besluit van 16 februari 2012 aangevoerd kunnen worden. In dit argument en de in beroep en hoger beroep aangevoerde gronden wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

4.3.

Uit de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak volgt voorts dat bij een afwijzing van een aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb van belang is dat een aanvraag na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.4.

De aanvraag van 13 maart 2015 van appellant strekt mede tot een beoordeling van de aanspraken op partnertoeslag over de periode vanaf de aanvraag van 13 maart 2015.

4.5.

Partijen houdt hierbij verdeeld de vraag of het gedeelte van het [naam pensioen] dat de partner ontvangt terecht als inkomsten van de partner in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op partnertoeslag.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en zijn partner voor de toepassing van de AOW als gehuwden moeten worden aangemerkt.

4.7.

Appellant heeft toegelicht dat hij en zijn partner in een echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat het [naam pensioen] wordt verevend en zij er om praktische redenen voor gekozen hebben om de verevening na hun hereniging in stand te laten.

4.8.

De Svb heeft er terecht op gewezen dat het gedeelte van het [naam pensioen] dat de partner ontvangt, geldt als overig inkomen in de zin van artikel 2:4 van het Algemeen inkomensbesluit sociale-zekerheidswetten (AISZ), omdat het ingevolge onderdeel m, dat artikel moet worden beschouwd als een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. Deze bepaling is een voortzetting van het gelijkluidende artikel 2:4, aanhef en onder m, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2012.

4.9.

In de – door de Svb aangehaalde – Nota van Toelichting bij het Inkomensbesluit AOW 1996 (Stcrt. 1996, nr. 122; blz. 10) is vermeld dat het bij een uitkering op grond van een pensioenregeling mede gaat om een pensioen voortvloeiend uit een pensioenverevening bij scheiding. Deze toelichting is tevens van belang voor de uitleg van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen en het AISZ. In de Nota van Toelichting bij het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen (Stb. 2010, 869; blz. 13) is

– voor zover hier aan de orde – tot uitdrukking gebracht dat uitgangspunt bij de totstandkoming van dit inkomensbesluit is dat dit niet leidt tot materiële wijzigingen.

4.10.

Artikel 2:4, onderdeel m, van het AISZ dient zo te worden uitgelegd dat onder uitkering op grond van pensioenregeling ook wordt begrepen (een gedeelte van) een pensioen voortvloeiend uit een pensioenverevening bij scheiding. Daaruit volgt dat het AISZ geen ruimte laat om het gedeelte van het [naam pensioen] dat de partner ontvangt, buiten beschouwing te laten. Niet beslissend is of het (mede) kan worden gezien als (een vorm van) alimentatie. Het AISZ laat daarvoor geen ruimte.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.W.L. van der Loo

IvR