Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
15/5055 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt ook onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5055 WIA

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 juni 2015, 14/6112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als bouwopruimer. Appellant heeft zich op 10 mei 2012 ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten. Appellant heeft op
29 januari 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) aangevraagd. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht op het spreekuur van 26 maart 2012. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant beperkingen heeft in verband met zijn psychische en lichamelijke klachten. Appellant is aangewezen op psychisch licht werk. In verband met de rug-, nek- en schouderklachten acht de verzekeringsarts appellant niet in staat om bij voortduring zware lasten te hanteren of langdurig boven schouderhoogte te werken. Vanwege het medicijngebruik kan appellant volgens de verzekeringsarts niet op gevaarlijke plaatsen of met gevaarlijke machines werken. De beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
26 februari 2014. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant wordt geacht te kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige is in zijn rapport van 25 maart 2014 tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% is. Bij besluit van 26 maart 2014 is vastgesteld dat appellant met ingang van 8 mei 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.2.

In bezwaar heeft appellant informatie overgelegd van de behandelend fysiotherapeut, een intakebrief van Reade en informatie over het medicijngebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie ingewonnen bij de huisarts, appellant gesproken op de hoorzitting en dossieronderzoek verricht. Op basis daarvan is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 augustus 2014 tot de conclusie gekomen dat in de FML van
26 februari 2014 de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 27 augustus 2014 bevestigd dat de belasting in de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant blijft en geconcludeerd dat juist is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2014 is bij besluit van 27 augustus 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van
27 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over voldoende informatie om tot een beoordeling te komen. Uit de door appellant overgelegde informatie van psychiater Lange en van Reade is niet op te maken dat appellant meer beperkt is. De informatie van psychiater Lange dateert van na de datum in geding en over Reade heeft appellant verklaard dat deze instelling niets voor hem kon doen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de psychiatrische voorgeschiedenis van appellant. De rechtbank heeft geen aanleiding voor twijfel aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies of aan de (verdere) arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML is aangenomen en niet in staat is werkzaamheden te verrichten die in overeenstemming zijn met de in de FML vastgestelde functionele mogelijkheden. Iedere belasting van de rug, schouder of nek is vrijwel onmogelijk. Alleen weinig intensieve, kortdurende belasting is mogelijk, als daar rust op volgt. De functie van productiemedewerker metaal- en

elektro-industrie is niet mogelijk, omdat hij niet lang in één houding kan zitten en vanwege de rug-, nek- en schouderbelasting. De functie van productiemedewerker papier, karton, drukkerij kan appellant niet vervullen omdat het tillen van gewichten tot acht of negen kilogram zeer pijnlijk is. De functies snackbereider en medewerker tuinbouw acht appellant verder ongeschikt, mede vanwege de rug-, nek- en schouderbelasting die deze meebrengen.

Onvoldoende is rekening gehouden met de psychische klachten. Appellant heeft zware (recidiverende) depressieve klachten, waardoor hij zich terugtrekt uit contacten, prikkelbaar is en slecht slaapt. Hij heeft last van hallucinaties. Hij is niet in staat tot sociale activiteiten en is voor zijn persoonlijk en sociaal functioneren geheel afhankelijk van zijn familie. Gesteld is dat appellant ook vanwege zijn achtergrond en vooropleiding niet in staat is werkzaamheden in de geselecteerde functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts heeft in verband met de lichamelijke en psychische klachten van appellant in de FML beperkingen vastgesteld voor persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bevestigd dat de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In de FML is onder meer vastgesteld, rekening houdend met het medicijngebruik, dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich mede gebaseerd op de informatie van de fysiotherapeut, de huisarts en Reade, waar appellant is behandeld in verband met chronische pijn. De informatie van deze behandelaars geeft geen aanleiding de medische beoordeling voor onjuist te houden. Op het verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om informatie gericht aan psychiater Hoek – bij wie appellant op de datum in geding onder behandeling was – is geen reactie ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op de informatie van psychiater Lange, waarin is vermeld dat appellant vanaf februari 2015 bij haar onder behandeling is. Deze informatie heeft betrekking op de situatie geruime tijd na de datum in geding. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is rekening gehouden met de psychiatrische voorgeschiedenis. Voor de stelling van appellant dat de informatie mede betrekking heeft op de situatie op de datum in geding zijn onvoldoende aanknopingspunten. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belasting. Dit is inzichtelijk en overtuigend toegelicht in de rapporten van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4.3.

De arbeidsdeskundige heeft overwogen dat appellant gelet op zijn – weliswaar lage – opleidingsniveau, opleidingsrichting, leervermogen en werkervaring in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de functies ongeschikt zijn vanwege zijn achtergrond en vooropleiding, nu hij zijn stelling niet nader heeft geconcretiseerd en een onderbouwing ervan ontbreekt. Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.4.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.W.L. van der Loo

IvR