Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
16/8057 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg minnelijke regeling, die is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/8057 AW, 17/1968 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 december 2016, 16/1512 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland (college)

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Steuten en mr. M.B. Pieters.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is per 1 september 1989 in dienst getreden bij het [werkgever] . Het college heeft appellant met ingang van 1 februari 2001 ontslag verleend. De Raad heeft bij uitspraak van 25 maart 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO7611), voor zover van belang, de na bezwaar genomen beslissing om het ontslag te handhaven vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Na onderhandelingen hebben partijen overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling, die is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst gedateerd 5 juli 2006 (overeenkomst).

1.2.

Bij besluit van 15 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college vastgesteld dat de bepaling zoals opgenomen in artikel 5.3.1 van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschappen (SAW), inhoudende dat het dagelijks bestuur en de ambtenaren beschikken over een persoonsgebonden basisbudget (PBB) van € 5.000,- dat in een periode van vijf jaar ingezet kan worden voor opleiding, ontwikkeling loopbaan en vitaliteit, voor de situatie van appellant niet kan gelden. Het college heeft hierbij verwezen naar de overeenkomst, waarin is opgenomen dat aan appellant een bedrag van € 5.000,- wordt betaald als gefixeerde tegemoetkoming voor (mogelijke) toekomstige outplacement- of studieactiviteiten. Gelet op het doel van het PBB, geldt dat deze bepaling uit de SAW voor appellant geen werking kan hebben, aldus het college.

1.3.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de bepaling in de overeenkomst over de gefixeerde tegemoetkoming voor (mogelijke) toekomstige outplacement- of studieactiviteiten zo moet worden geïnterpreteerd dat daarmee bedoeld is om alle (mogelijk) toekomstige aanspraken in het kader van loopbaanontwikkeling af te kopen. Het betoog van appellant dat artikel 5.3.1 van het SAW een ruimer bereik heeft dan het stimuleren van loopbaanontwikkeling slaagt niet. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat in dat artikel expliciet is bepaald dat het PBB tot doel heeft dat de ambtenaar inzetbaar is en blijft en om zicht te krijgen op de eigen kwaliteiten, ontwikkeling, ambities en mogelijkheden. In de overeenkomst zijn de toekomstige aanspraken in het kader van loopbaanontwikkeling afgekocht, zodat de bepaling in de overeenkomst dat de rechtspositie van appellant gedurende zijn diensttijd gehandhaafd blijft conform de CAO-SAW hem in dit verband niet kan baten.

3. Naar aanleiding van wat partijen in (incidenteel) hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.1.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van de overeenkomst. De Raad stelt voorop dat de overeenkomst de neerslag vormt van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de tussen appellant en het college bestaande ambtelijke rechtsverhouding en moet worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het college toekomende bevoegdheden als werkgever. Aan deze regeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het college maar ook voor appellant geldt (vergelijk de uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812). Bij de uitleg van een overeenkomst zoals deze komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290).

3.1.2.

In de overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“1. [Appellant] blijft tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst van [werkgever] , of diens rechtsopvolgers. Gedurende zijn resterende ambtelijke diensttijd bij [werkgever] of diens rechtsopvolgers is hij vrijgesteld van de verplichting om werkzaamheden te verrichten.

(…)

4. De rechtspositie van [Appellant] blijft gedurende zijn resterende ambtelijke diensttijd gehandhaafd conform CAO-SAW (zoals onder andere pensioenopbouw ABP, conform factor 1, vakantietoelage, eindejaarsuitkering, winstdeling, feestdagentoeslag etc.).

(…)

7. [werkgever] betaalt aan [Appellant] een eenmalige vergoeding van € 56.000 bruto; dit bedrag is als volgt samengesteld:
(…)
- Een bedrag van € 5.000 als gefixeerde tegemoetkoming voor (mogelijke) toekomstige outplacement- of studieactiviteiten van [Appellant] .

(…)

10. Partijen verlenen elkaar hierbij over en weer finale kwijting, zodat zij - behoudens hetgeen in deze overeenkomst uitdrukkelijk is overeengekomen - niets meer van elkaar hebben te vorderen.”

3.2.

De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - in essentie een herhaling van het gestelde in eerste aanleg - heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Daaraan wordt toegevoegd dat de verwijzing naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 appellant niet kan baten, nu die uitspraak betrekking heeft op het destijds door het college aan appellant verleende ontslag, dateert van vóór het sluiten van de overeenkomst en daarop dan ook geen betrekking heeft.

3.3.

Uit 3.1.1 tot en met 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep dat, zoals ter zitting van de Raad door de vertegenwoordiger van het college is bevestigd, een voorwaardelijk karakter heeft, behoeft daarom geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.L. van den IJssel

HD