Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
17/1441 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Beroep rio. Toelichting op ontslag is geen primair besluit. Hoorplicht. Het feit dat de Raad bij zijn uitspraak van 16 oktober 2016 de berisping heeft herroepen is een nieuw gegeven, maar geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dit nieuwe gegeven kan niet leiden tot een ander judicium dat als eindoordeel is gegeven over het functioneren en daarmee rechtsgevolg is van het beoordelingsbesluit. Terecht standpunt bestuur. Belastende omstandigheden zijn ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17/1441 AW, 17/2883 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de rechtbank Gelderland (bestuur)

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de hierna onder 1.8 te vermelden besluiten en bezwaar gemaakt tegen het onder 2.1 te vermelden vermeende primaire besluit. Wat het bezwaar betreft heeft het bestuur ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Appellante is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard en

E. van den Hoorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was met ingang van 1 april 2014 werkzaam als rechter in opleiding (rio) bij de rechtbank Gelderland (rechtbank). Na de voorfase is zij haar opleiding begonnen in de leerwerkomgeving (LWO) Civiel (handel). Vanaf 1 oktober 2015 heeft zij haar opleiding op basis van detachering voortgezet in de LWO Bestuur bij de [locatie].

1.2.

Bij besluit van 11 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2016, heeft het bestuur aan appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

1.3.

Op 15 april 2016 heeft de beoordelingscommissie op basis van het portfolio van appellante over de periode van 1 januari 2015 tot 1 april 2016 een tussenbeoordeling opgemaakt van het functioneren van appellante als rio. De beoordelingscommissie heeft vastgesteld dat appellante op twee kritische beoordelingscriteria een 1 (zwak) heeft gescoord, wat leidt tot het judicium ‘onvoldoende’. Op twee andere kritische criteria (integriteit en zelfinzicht) heeft de beoordelingscommissie zich van een oordeel onthouden. Nadat het bestuur zijn voornemen daartoe kenbaar had gemaakt en appellante daarover bedenkingen naar voren had gebracht, heeft het bestuur bij besluit van 27 mei 2016 de beoordeling, met een nadere aanvulling, overgenomen en vastgesteld (beoordelingsbesluit).

1.4.

In verband met deze beoordeling heeft het bestuur bij besluit van 3 juni 2016 de opleiding van appellante per direct beëindigd.

1.5.

Voorts heeft het bestuur appellante bij besluit van 22 juni 2016 (ontslagbesluit) met ingang van 15 september 2016 ontslag verleend uit haar functie als rio bij de rechtbank, primair op grond van artikel 95, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens de beëindiging van de opleiding en subsidiair op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.6.

Bij uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858, heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 9 maart 2016 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 11 september 2016 herroepen. De Raad kwam tot het oordeel dat de aan appellante verweten handelwijze niet kan worden bestempeld als plichtsverzuim. Bij dezelfde uitspraak heeft de Raad de (rechtstreekse) beroepen tegen de onder 1.3, 1.4 en 1.5 vermelde besluiten ongegrond verklaard. De conclusie van de Raad over het beoordelingsbesluit luidde dat de tussenbeoordeling met het judicium ‘onvoldoende’ op voldoende gronden berust.

1.7.

Bij brief van 7 november 2016 heeft appellante het bestuur verzocht om terug te komen van het beoordelingsbesluit en subsidiair van het ontslagbesluit.

1.8.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het bestuur afwijzend beslist op dit verzoek. Het bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het beoordelingsbesluit is bij besluit van 23 januari 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit is bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Voor de motivering van bestreden besluit 2 heeft het bestuur mede verwezen naar bestreden besluit 1.

2.1.

In haar beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 heeft appellante de juistheid van die besluiten op de hierna te bespreken gronden bestreden. In de visie van appellante ligt in bestreden besluit 2 tevens een primair besluit van het bestuur besloten, inhoudende dat het bestuur het ontslagbesluit wijzigt in die zin dat de subsidiaire grondslag van het ontslag niet langer wordt gehandhaafd. Tegen dit vermeende primaire besluit heeft appellante gronden naar voren gebracht.

2.2.

Het bestuur heeft het standpunt ingenomen dat wat appellante in haar verzoek naar voren heeft gebracht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Verder heeft het bestuur betwist dat bestreden besluit 2 mede een primair besluit over het ontslag omvat.

3. Naar aanleiding van wat partijen in beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Bevoegdheid

3.1.

Onder verwijzing naar en in aanvulling op zijn onder 1.6 vermelde uitspraak overweegt de Raad dat de Wet van 2 december 2015, Stb. 2015, 456, die voorziet in een wijziging van onder meer de Wet op de rechterlijke organisatie en de Awb waarmee de bevoegdheid van de Raad in eerste en enige aanleg ten aanzien van rio’s en officieren in opleiding is geregeld, op 1 januari 2017 in werking is getreden.

Rechtstreeks beroep

3.2.

Anders dan appellante heeft gesteld, ligt in bestreden besluit 2 niet tevens een primair besluit besloten waarbij (de grondslag van) het ontslagbesluit is gewijzigd. Wat in bestreden besluit 2 over het ontslag is vermeld, is niet meer dan een toelichting op het ontslag en het oordeel dat de Raad bij zijn uitspraak van 13 oktober 2016 hierover heeft gegeven.

3.3.

Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schending hoorplicht

3.4.1.

Het bestuur heeft het bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit onderscheiden van het eerder gemaakte bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het beoordelingsbesluit. Op beide bezwaren is afzonderlijk beslist.

3.4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord over haar bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit. Dit betoog slaagt. Van het horen van de belanghebbende als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend worden afgezien in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde gevallen. Nu geen van die gevallen zich hier voordoet, heeft het bestuur bij het nemen van bestreden besluit 2 artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geschonden. Dat de gronden van het bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit overeenstemmen met die van het bezwaar waarover appellante al was gehoord, maakt dat niet anders.

Weigering om terug te komen van het beoordelingsbesluit (17/1441 AW)

3.5.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

3.6.

Appellante heeft in haar verzoek aangevoerd dat de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2016, voor zover daarbij de schriftelijke berisping is herroepen, een nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Met deze uitspraak is volgens appellante komen vast te staan dat zich tijdens het beoordelingstijdvak een aantal, in haar verzoek opgesomde en in bezwaar aangevulde nieuwe feiten en omstandigheden heeft voorgedaan. Ter zitting van de Raad heeft appellante te kennen gegeven dat deze feiten en omstandigheden in hoofdzaak moeten worden gezien als argumenten die nieuw zijn, omdat zij deze niet eerder, bijvoorbeeld in het gesprek met de beoordelingscommissie, naar voren heeft kunnen brengen, maar daartoe pas in de gelegenheid was na het herroepen van de disciplinaire straf.

3.7.

Het is volgens appellante niet op voorhand uitgesloten dat de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen leiden tot bijstelling van het judicium ‘onvoldoende’. Omdat bij het portfolio, de beoordeling en het beoordelingsbesluit geen rekening kon worden gehouden met de onder 3.6 vermelde feiten en argumenten, is het beoordelingsbesluit volgens appellante onvolledig geweest. In dit verband heeft zij betoogd dat de beoordelingscommissie het ten onrechte opleggen van de disciplinaire straf niet als bijzonderheid in de beoordeling heeft kunnen meenemen en dat het niet beoordelen van twee kritische beoordelingscriteria ook verband hield met de, achteraf ten onrechte opgelegde, straf. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat de opleiding in de LWO Bestuur feitelijk drie maanden korter heeft geduurd omdat de opleiders de eerste drie maanden nog geen evaluatie konden uitvoeren met als gevolg dat de tussenbeoordeling in feite binnen de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Beoordelingsreglement initiële opleiding tot rechter en raadsheer (reglement) heeft plaatsgevonden.

3.8.1.

Zoals het bestuur in bestreden besluit 2 met juistheid heeft overwogen, vormt het feit dat de Raad bij zijn uitspraak van 16 oktober 2016 de berisping heeft herroepen een nieuw gegeven, maar geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in

artikel 4:6 van de Awb.

3.8.2.

Bij dit oordeel is in de eerste plaats van belang dat het judicium ‘onvoldoende’ het eindoordeel is over het functioneren en daarmee het rechtsgevolg van het beoordelingsbesluit. Dit betekent dat er voor het bestuur slechts aanleiding kon zijn om terug te komen van het beoordelingsbesluit dan wel om de beoordelingscommissie om een nieuw beoordelingsadvies te verzoeken, indien op grond van het aangevoerde nieuwe gegeven de mogelijkheid bestaat dat het judicium ‘onvoldoende’ niet langer juist is.

3.8.3.

Zoals blijkt uit artikel 8, vierde lid, van het reglement wordt het judicium ‘onvoldoende’ toegekend indien één of meer van de kritische beoordelingscriteria niet met een ‘voldoende’ of hoger is gewaardeerd. Nu de uitspraak van 13 oktober 2016 in elk geval niet tot een andere score kan leiden op het kritisch beoordelingscriterium D-II-d (snel juridische kennis eigen maken), staat op voorhand vast dat dit nieuwe gegeven niet kan leiden tot een ander judicium. Daarom was het bestuur ook niet gehouden om de beoordelingscommissie te raadplegen alvorens op het verzoek om herziening te beslissen.

3.9.

Enkele van de onder 3.6 aangeduide feiten en argumenten zijn een weergave in andere woorden van het oordeel van de Raad over de disciplinaire straf. Voor het overige gaat het niet om feiten, maar om argumenten die appellante reeds naar voren heeft kunnen brengen in het beoordelingsgesprek, in haar bedenkingen dan wel in de procedure tegen het beoordelingsbesluit. Dat zij dat om haar moverende redenen niet heeft gedaan, komt voor haar risico.

3.10.

Uit 3.8.1 tot en met 3.9 volgt dat het bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wat appellante in haar verzoek naar voren heeft gebracht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Uit de onder 3.5 genoemde uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat de vaststelling dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn de afwijzing van een verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Wat appellante in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat bestreden besluit 1 evident onredelijk is.

Weigering om terug te komen van het ontslagbesluit (17/2883 AW)

3.11.

Over het ontslagbesluit heeft appellante aangevoerd dat de belastende omstandigheden waaronder zij haar werkzaamheden heeft uitgevoerd niet zijn meegewogen bij de aan de beoordeling verbonden rechtspositionele gevolgen en dat het beëindigen van de opleiding geen valide rechtsgrond is voor het verleende ontslag.

3.12.

Het bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eerstgenoemde omstandigheid geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Aan de in beroep betrokken stelling over de grondslag van het ontslagbesluit gaat de Raad voorbij, reeds omdat bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten geen rekening kan worden gehouden met feiten die pas in de fase van beroep naar voren worden gebracht.

3.13.

Wat aan het slot van 3.10 is overwogen geldt ook voor bestreden besluit 2.

Slotoverwegingen

3.14.

Nu appellante in beroep haar bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit schriftelijk en mondeling heeft toegelicht en aannemelijk is dat zij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht, zal de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

3.15.

Uit voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat de beroepen niet slagen.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van appellante is niet gebleken.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen een vermeend primair

besluit over het ontslag;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2017 en 13 maart 2017 ongegrond;

- bepaalt dat het bestuur aan appellante het in het beroep tegen het besluit van 13 maart 2017

betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD