Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
16/6712 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant heeft met de gewijzigde beslissing op bezwaar op een juiste wijze voldaan aan de opdracht van de rechtbank en heeft daarom geen belang meer bij een rechtelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6712 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 oktober 2016, 16/2818 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene 1] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 23 juni 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar ingediend. Betrokkene heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken op de bijgaande lijst, plaatsgevonden op 5 juli 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 29 januari 2016 heeft appellant betrokkene met ingang van

18 januari 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, berekend naar een dagloon van € 36,15.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 29 januari 2016 ongegrond verklaard.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de tussenuitspraak van 17 maart 2016 van de rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2016:1181, dit beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten in beroep van € 922,- en heeft de rechtbank appellant opgedragen het griffierecht van € 46,- aan betrokkene te vergoeden.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de wettelijke bepalingen inzake de dagloonvaststelling dwingendrechtelijk van aard zijn en dat aan appellant niet de bevoegdheid is gegeven om daarvan af te wijken.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

In reactie op de uitspraken van de Raad van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1474, ECLI:NL:CRVB:2017:1475 en ECLI:NL:CRVB:2017:1476, heeft appellant bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 juni 2017 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van
29 januari 2016 alsnog gegrond verklaard. Appellant heeft in lijn met de uitspraken van
26 april 2017 het dagloon per 8 januari 2016, na indexering, vastgesteld op € 79,28. Appellant heeft daarnaast de door betrokkene in bezwaar gemaakte kosten van € 496,- vergoed.

4.2.

Bij brieven van 26 en 29 juni 2017 heeft betrokkene verklaard dat door de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 juni 2017 tegemoet is gekomen aan zijn bezwaren tegen het besluit van 29 januari 2016. Betrokkene heeft verzocht appellant te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.

4.3.

Appellant heeft met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 juni 2017 op een juiste wijze voldaan aan de opdracht van de rechtbank en heeft daarom geen belang meer bij een rechtelijk oordeel. Daaruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.4.

Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Die kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep van € 495,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 495,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

AB

[betrokkene 2]

16/8089 WW

[betrokkene 3]

16/6555 WW

[betrokkene 4]

16/4759 WW, 16/5111 WW, 17/4569 WW

[betrokkene 5]

16/6039 WW, 17/4561 WW

[betrokkene 6]

17/1470 WW, 17/4572 WW

[betrokkene 7]

16/6575 WW, 17/4570 WW

[betrokkene 8]

16/8130 WW, 17/4573 WW

[betrokkene 9]

16/6917 WW, 17/4571 WW

[betrokkene 10]

16/7925 WW, 17/4568 WW

[betrokkene 11]

16/5375 WW, 17/4566 WW

[betrokkene 12]

17/983 WW