Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
16/6650 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is door de minister terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad komt tot de slotsom dat het zuur is voor appellante dat zij, door blindelings op haar moeder te vertrouwen, geconfronteerd is met een schuld uit rentedragende lening. Echter nu appellante redelijkerwijs (van meet af aan) op de hoogte had kunnen zijn van de op haar naam verstrekte lening valt het haar toe te rekenen dat zij pas bezwaar heeft gemaakt tegen de schuld uit rentedragende lening in november 2015, ver na het verstrijken van de wettelijke termijn. De termijnoverschrijding komt dan ook voor risico van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6650 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 27 september 2016, 16/1312 en 16/7051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Šimičević. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, bij besluiten genomen in de periode 16 september 2005 tot en met 24 februari 2012, aan appellante van oktober 2005 tot en met februari 2012 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs, een rentedragende lening en een reisrecht. In verband met het door appellante behaalde mbo-diploma is de prestatiebeurs en de ov-lening over deze periode bij besluit van 6 januari 2013 omgezet in een gift.

1.2.

Bij besluit van 6 januari 2015 (Bericht Terugbetalen 2015) is appellante meegedeeld dat haar schuld uit rentedragende lening op 1 januari 2015 € 38.248,32 bedraagt en dat zij vanaf die datum € 222,22 per maand moet terugbetalen.

1.3.

Bij brief van 18 september 2015 heeft de minister de bewindvoerder van appellante op de hoogte gebracht van de omvang van appellantes studieschuld.

1.4.

Appellante heeft op 3 november 2015 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de minister over de periode van 16 september 2005 tot en met 6 januari 2015 voor zover daarbij ten laste van appellante een schuld uit rentedragende lening is ontstaan van € 38.248,32, alsmede tegen de in de brief van 18 september 2015 vermelde studieschuld van appellante.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is gesteld dat het Bericht Terugbetalen 2015 en de brief van 18 september 2015 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht voor wat betreft de daarin vermelde schuld. De schuld uit rentedragende lening is ontstaan door eerdere besluiten. Het bezwaar tegen die besluiten is niet tijdig ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar tegen de onder 1.1 vermelde besluiten waarbij de schuld is ontstaan terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe is het volgende overwogen. Uit de stukken blijkt dat de studiefinanciering in 2005 door appellante is aangevraagd. Naar de minister heeft gesteld, en de rechtbank aannemelijk acht, zijn de besluiten in de periode voor 26 april 2012 verstuurd naar het woonadres van appellante. Voorts had appellante digitaal toegang tot alle besluiten die na 26 april 2012 digitaal bekend zijn gemaakt. Appellante was dus bekend met al de besluiten, of had daar redelijkerwijs bekend mee kunnen zijn. Dat haar moeder mogelijk post achterhield en de bankrekening van appellante beheerde, maakt dit niet anders. De minister heeft in dat kader voorts terecht aangevoerd dat appellante met het verstrekken van haar DigiD, haar moeder feitelijk liet optreden als haar zaakgemachtigde. Alle handelingen van haar moeder kwamen daarmee voor rekening en risico van appellante.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Herhaald wordt dat het bezwaar tegen de besluiten waarbij de schuld uit rentedragende lening is ontstaan verschoonbaar te laat is ingesteld. Eerst in september 2015 is zij via haar bewindvoerder op de hoogte geraakt van (de omvang van) de studieschuld. Appellante stelt dat zij is opgelicht door haar moeder en heeft daar inmiddels aangifte van gedaan. Haar moeder had toegang tot appellantes DigiD, bankrekening en bankpas en heeft misbruik gemaakt van de gegevens van appellante. Appellante was in de betreffende periode afhankelijk van haar moeder en vertrouwde op haar. De lening is op naam van appellante aangevraagd door haar moeder. Appellante wist hier niets van en de verstrekte lening is nooit aan haar ten goede gekomen. Wanneer zij iets nodig had dan moest ze haar moeder om geld vragen. De oplichtingspraktijken van haar moeder moeten ertoe leiden dat de minister afziet van terugvordering van de studieschuld van appellante.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De onder 1.1 genoemde besluiten, waarbij de schuld uit rentedragende lening is ontstaan, zijn destijds op de juiste wijze bekendgemaakt. Voor zover deze besluiten per post zijn verzonden, zijn deze geadresseerd aan de juiste adressen en de ontvangst van de besluiten op die adressen is niet betwist. Voor zover sprake was van elektronische verzending, heeft deze verzending ook op de juiste wijze plaatsgevonden.

4.2.

De door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat appellante geacht moet worden verschoonbaar te laat bezwaar te hebben gemaakt ten aanzien van de ten laste van haar vastgestelde schuld. Daartoe wordt het volgende overwogen. In het proces-verbaal van aangifte van oplichting jegens de moeder van appellante staat beschreven dat appellante verklaard heeft dat de aanvraag om studiefinanciering is gedaan door haar moeder maar dat deze aanvraag door appellante zelf is ondertekend. In die aanvraag wordt een (maximale) lening aangevraagd. Nu appellante de aanvraag zelf heeft ondertekend kon zij redelijkerwijs weten dat op haar naam een lening werd aangevraagd. Voorts zijn in de loop der jaren diverse besluiten genomen, deels naar aanleiding van ingezonden formulieren wijzigingen student. Appellante heeft dienaangaande ter zitting verklaard dat zij met de inhoud daarvan niet bekend was, omdat haar moeder haar de formulieren liet tekenen alvorens de formulieren door haar moeder werden ingevuld, dan wel omdat moeder een kruisje zette op het formulier waar appellante moest tekenen en appellante niet nagegaan heeft waarvoor zij tekende. Dit alles omdat zij haar moeder volledig vertrouwde. Haar moeder regelde de financiën van appellante en brieven werden door moeder geopend. De Raad komt tot de slotsom dat het zuur is voor appellante dat zij, door blindelings op haar moeder te vertrouwen, geconfronteerd is met een schuld uit rentedragende lening. Echter nu appellante redelijkerwijs (van meet af aan) op de hoogte had kunnen zijn van de op haar naam verstrekte lening valt het haar toe te rekenen dat zij pas bezwaar heeft gemaakt tegen de schuld uit rentedragende lening in november 2015, ver na het verstrijken van de wettelijke termijn. De termijnoverschrijding komt dan ook voor risico van appellante.

4.3.

Nu het bezwaar door de minister terecht niet-ontvankelijk is verklaard wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke grond van appellante dat de oplichtingspraktijken van haar moeder er toe moeten leiden dat de minister afziet van het door appellante laten terugbetalen van de studieschuld.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) H. Achtot

AB