Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
15/7014 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts van de medische situatie van appellante. In de FML in de ruime mate rekening gehouden met de beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7014 ZW

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 augustus 2015, 14/3265 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als begeleidster bij Stichting [naam stichting] , toen zij zich met ingang van 3 januari 2013 ziek heeft gemeld met spier-, pees- en gewrichtsklachten. Haar dienstverband is op 1 juni 2013 beëindigd. Appellante heeft enkele keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Vervolgens heeft een eerstejaars Ziektewetbeoordeling plaatsgevonden, waaruit na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek naar voren is gekomen dat appellante met geduide functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 28 november 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 3 februari 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit), na verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 7 april 2014 en arbeidskundig onderzoek van 16 april 2014, ongegrond verklaard.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in ruime mate rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van appellante. Zij heeft voorts geoordeeld er voldoende van overtuigd te zijn dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar belastbaarheid zoals verwoord in de FML, onjuist is ingeschat en dat de beperkingen als gevolg van haar aandoening Ehlers Danlos type 3 (EDS), groter en ernstiger zijn dan is aangenomen. Zij heeft in een nader schrijven gereageerd op het verweerschrift van het Uwv en verzocht om inschakeling van een deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante gezien, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.

4.2.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 april 2014 overwogen dat appellantes subjectieve waardering van haar arbeidsbeperkingen niet overeenkomt met de objectieve medische gegevens. Volgens deze arts is uit de ingewonnen informatie niet gebleken van (sub)luxaties en tekenen van artritis. Hij heeft voorts overwogen dat bij appellante sprake is van deconditionering en momenten van overbelasting, waarbij een verminderde kennis van (on)mogelijkheden en coping een interfererende rol spelen, evenals tegenstrijdige adviezen van behandelaars en een neiging tot catastroferen en somatiseren. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze overwegingen onjuist zijn.

4.2.2.

In zijn nader rapport van 30 juni 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de door appellante ingezonden informatie blijkt dat er, behoudens hypermobiliteit, tot dan toe geen tekenen zijn van gewrichtsontstekingen en huidafwijkingen en geen aanwijzingen voor een inflammatoire reumatische aandoening. Uit de informatie blijkt volgens deze arts dat de revalidatiearts bij haar onderzoek geen tekenen van (sub)luxaties of artritis heeft gevonden, wel gegeneraliseerd enige ruime mobiliteit over de gewrichten met lokaal enige verminderde mobiliteit in delen van de wervelkolom en het bekkensysteem, en dat er sprake is van houdingsproblematiek. Met deze beperkingen is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in FML in de ruime mate rekening gehouden. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat deze overwegingen niet juist zijn.

4.2.3.

In zijn nader rapport van 24 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op door appellante ingezonden informatie van de behandelend revalidatiearts, waarin deze arts heeft aangegeven dat het belastingsniveau van appellante onvoldoende is om een programma binnen het revalidatiecentrum te volgen. Hij heeft hierover het standpunt ingenomen dat dit vooral een gevolg is van deconditionering: een cyclische relatie tussen pijn en vermoeidheid, de angst voor (meer) pijn, het vermijden van lichamelijke activiteit (met name spierkracht) en functionele beperkingen. Het vermijden van activiteit heeft op korte termijn het gewenste effect, namelijk dat de pijn vermindert, maar op langere termijn is er door een gebrek aan fysieke activiteit een afname in lichamelijke conditie, zich uitend in spierzwakte (disuse syndrome) en verminderde belastbaarheid. In de informatie ontbreekt het aan nieuwe, objectief medische gegevens. Lichamelijke (lichte) arbeid acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gecontra-indiceerd, maar veeleer aangewezen. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze overwegingen niet juist zijn.

4.2.4.

In zijn nader rapport van 15 december 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op door appellante ingezonden informatie van een klinisch geneticus van 29 juli 2014, waarin (anders dan in een eerdere brief) is vermeld dat bij appellante toch sprake is van EDS. Hij heeft opgemerkt dat niet is vermeld op grond van welke bevindingen de klinisch geneticus van mening is veranderd en heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uiteindelijk niet om de exacte diagnose gaat, maar om de vraag welke beperkingen dienen te worden aangenomen en dat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat er sprake is van EDS, in de FML in ruime mate rekening is gehouden met appellantes verminderde belastbaarheid. Daarbij heeft deze arts herhaald dat met die beperkingen lichte arbeid niet gecontra-indiceerd is. Uit wat appellante heeft aangevoerd, volgt niet dat dit standpunt onjuist is.

4.2.5.

In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nader rapport van 28 oktober 2016 gereageerd op de grond van appellante dat uit de omstandigheid dat zij een rolstoel heeft gekregen, is af te leiden dat zij meer beperkt is dan is vastgesteld in de FML. Hij heeft hierover overwogen dat uit de informatie van de revalidatiearts is gebleken dat een rolstoel averechts werkt bij appellante en dat het rolstoelgebruik de bij appellante bestaande disbalans tussen belasting en belastbaarheid bevestigt. Er is niet gebleken dat dit standpunt onjuist is. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Het verzoek aan de Raad om een onafhankelijke deskundige te raadplegen wordt gelet op het vorenstaande dan ook afgewezen.

4.3.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.2.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en
H.O. Kerkmeester en als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) N. Veenstra

SS