Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
16/1091 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor griffierecht. Geen procesbelang meer. Geen indringende toets over noodzaak procedure in verband met 6 EVRM. College moet wel op basis van door appellant aan te leveren stukken de noodzaak van de procedure terughoudend kunnen toetsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1091 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 januari 2016, 15/4923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door de enkelvoudige kamer ter zitting behandeld op 10 november 2016, waarna de zaak is heropend en voor verdere behandeling is doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E. Breukelman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 11 juli 2014, 22 september 2014, 25 september 2014 en 19 november 2014 aanvragen (hierna: aanvraag 1, 2, 3 en 4) om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van griffierecht in verband met door hem aangespannen procedures bij de rechtbank (3x) en bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) (1x). Bij besluiten van respectievelijk 1 september 2014, 14 oktober 2014 (2x) en 20 januari 2015 zijn

aanvraag 1, 2 en 3 buiten behandeling gesteld en is aanvraag 4 afgewezen. Op 14 januari 2015 en 12 februari 2015 heeft het college appellant bericht dat de eerder genomen besluiten zijn ingetrokken en is appellant verzocht nadere gegevens aan te leveren om de aanvragen inhoudelijk te kunnen beoordelen. Verzocht is over te leggen: een kopie van het besluit waartegen het beroep is ingesteld, een kopie van het beroepschrift of een ontvangstbevestiging daarvan van de rechtbank en een betalingsbewijs van het betaalde griffierecht in verband met dit beroep of een uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet betaald griffierecht.

1.2.

Bij besluit van 17 februari 2015 (besluit 1) heeft het college de in 1.1 vermelde

aanvragen 1 tot en met 3 om bijzondere bijstand voor griffierecht van respectievelijk € 44,-,

€ 165,- en € 165,- afgewezen op de grond dat appellant de noodzaak van (de kosten van griffierecht in) de procedures niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij besluit van 27 februari 2015 (besluit 2) heeft het college aanvraag 4 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht van € 246,- op dezelfde grond als in besluit 1 afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 5 juni 2015, zoals nadien gewijzigd bij besluit van 1 oktober 2015, (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant niet volledig heeft voldaan aan het verzoek van het college om de nodige gegevens te verstrekken voor een goede beoordeling van de aanvragen, zodat appellant per saldo niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het college de noodzaak van het maken van griffiekosten moet beoordelen voordat bijzondere bijstand kan worden verleend en dat appellant de noodzaak van deze kosten voor geen van de vier procedures aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat het college, anders dan appellant meent, niet gehouden was de onderhavige aanvragen om bijzondere bijstand toe te wijzen, omdat aan appellant voordien - voor soortgelijke niet onderbouwde aanvragen - kennelijk wel zonder meer bijzondere bijstand is verleend.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aanvragen 1 tot en met 3 (kosten van griffierecht bij de rechtbank)

4.1.

De Raad ziet zich allereerst, mede gelet op wat de gemachtigde van het college ter zitting naar voren heeft gebracht, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de aanvragen 1 tot en met 3.

4.2.

Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1518) is van voldoende procesbelang sprake als het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. In dit geval doet zich de situatie voor dat de uitkomst van het hoger beroep niet concreet tot een voor appellant gunstiger resultaat kan leiden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Uit de stukken blijkt dat de procedures bij de rechtbank, waar de aanvragen 2 en 3 om bijzondere bijstand voor griffierecht op zien, zijn uitgemond in een

niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank wegens niet tijdige voldoening van het griffierecht. Tegen deze uitspraken is geen verzet aangetekend, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat om uitstel van betaling van griffierecht is verzocht. Ter zitting van de Raad is door appellant desgevraagd stellig en met nadruk verzekerd dat hetzelfde is gebeurd met het beroep waarop aanvraag 1 betrekking had. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten zich thans niet meer voordoen. Appellant kan met het verkrijgen van bijzondere bijstand dus niet meer het door hem beoogde doel bereiken, te weten: het voeren van beroepsprocedures in de zaken waarop het griffierecht betrekking had. Een oordeel van de Raad ten aanzien van de aanvragen 1 tot en met 3 kan voor appellant dan ook feitelijk geen betekenis meer hebben.

4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen brengt mee dat appellant geen actueel procesbelang heeft bij een uitspraak in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de aanvragen 1 tot en met 3. Het hoger beroep zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aanvraag 4 (kosten van griffierecht bij de ABRS)

4.5.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.6.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten van griffierecht van € 246,- voor een procedure in hoger beroep bij de ABRS zijn aan te merken als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.

4.7.

Appellant heeft - samengevat - aangevoerd dat het niet aan het college is om te beoordelen of griffierechtkosten noodzakelijk zijn. De wetgever heeft nu eenmaal bepaald dat aan het voeren van gerechtelijke procedures kosten van griffierecht zijn verbonden. Als door het college moet worden getoetst of de procedure noodzakelijk is voordat kosten van griffierecht via de bijzondere bijstand worden vergoed, wordt appellant belemmerd in de vrije toegang tot de rechter en dat is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Overigens stelt appellant, subsidiair, dat het college zelf bij de gerechtelijke instantie had kunnen nagaan waarover de zaak handelde nu het zaaksnummer wel bij het college bekend was.

4.8.

Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 22 september 2009,

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9223) kan de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel worden aangenomen als krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien - zoals in het geval van appellant - van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan zich aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene, als aanvrager van de bijzondere bijstand, om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure van een toereikende onderbouwing te voorzien en aannemelijk te maken. Appellant kan weliswaar worden toegegeven dat de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2371, waarnaar de rechtbank in dit verband in de aangevallen uitspraak heeft verwezen zag op advocaatkosten, maar dat doet op zichzelf aan de vaste lijn in de rechtspraak - zoals hierboven weergegeven - niet af. De beroepsgrond van appellant dat het niet aan het college is om te beoordelen of kosten van griffierecht noodzakelijk zijn, treft dus geen doel.

4.9.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2930, past in een geval als dit geen indringende toets van de noodzaak van de procedure. Dit zou immers in strijd kunnen komen met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht van een ieder om zijn zaak op enig moment aan een onafhankelijke rechter voor te kunnen leggen, temeer nu het een geschil betreft tussen betrokkene en het college. Het bijstandverlenend orgaan dat op de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht beslist zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de gevoerde procedure.

4.10.

Het college heeft naar voren gebracht dat appellant in deze zaak heeft volstaan met het overleggen van een factuur griffierecht van de ABRS en de eerste bladzijde van een aangetekend algemeen schrijven van 11 november 2014 van de ABRS, waaruit niet kan worden opgemaakt waar het hoger beroep over handelt. Door ondanks daarop gerichte verzoeken van het college geen aanvullende informatie te verstrekken kan de noodzaak van het voeren van de procedure, en dus ook de noodzakelijkheid van de kosten van griffierecht, in het geheel niet worden beoordeeld en is de bijzondere bijstand dus terecht geweigerd, aldus het college.

4.11.

Binnen het hiervoor onder 4.8 en 4.9 aangegeven - beperkte - toetsingskader is het vervolgens aan het college, onder verwijzing naar wat daaromtrent in artikel 53a van de PW is neergelegd, om te bepalen welke specifieke gegevens door de betrokkene dienen te worden verstrekt. Anders dan appellant heeft betoogd, kan niet worden gezegd dat het college ter beoordeling van de vraag of het voeren van de hier aan de orde zijnde procedure noodzakelijk was geen nadere stukken mocht verlangen. Uit de wel overgelegde stukken kon immers op geen enkele wijze worden afgeleid waar deze procedure over handelde. Het lag daarom op de weg van appellant de nader gevraagde stukken aan het college over te leggen zodat in elk geval de noodzaak - zij het terughoudend - kon worden getoetst. Nu door de opstelling en handelwijze van appellant om hem moverende redenen elke toetsing bij voorbaat onmogelijk is gemaakt, moet dit voor zijn rekening en risico worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aan appellant, als aanvrager om bijzondere bijstand, is om aannemelijk te maken dat sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW en dat hij in deze ook de meest gerede partij was om dat te doen, nu hij zelf over de gevraagde informatie beschikte of deze betrekkelijk eenvoudig had kunnen verkrijgen.

4.12.

Appellant heeft tot slot nog aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat deze aanvraag, net als in het verleden ten aanzien van soortgelijke aanvragen wel gebeurde, zonder onderbouwing, zou worden toegewezen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit standpunt van appellant niet kan worden gevolgd, reeds omdat elke aanvraag om bijzondere bijstand op zijn eigen merites wordt beoordeeld en het college daarbij niet gebonden is aan beslissingen over incidentele bijzondere bijstand in het verleden. Bovendien heeft het college appellant in dit geval expliciet om nadere gegevens verzocht, zodat het door appellant genoemde vertrouwen elke feitelijke grond mist.

4.13.

Uit 4.8 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep voor zover deze betrekking heeft op aanvraag 4 niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de

afwijzing van de aanvragen 1 tot en met 3 niet-ontvankelijk;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) S.A. de Graaff

HD