Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
16/933 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende grondslag voor oordeel dat appellant niet woonde op uitkeringsadres. De door huisverbod ingegeven wijziging van woon- en verblijf situatie had een vooropgezet tijdelijk karakter. Huisverbod duurde één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/933 PW, 16/1846 PW

Datum uitspraak: 15 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

8 januari 2016, 15/2196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klomp, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 2 februari 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Klomp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A. Lutje en T.M. te Brinke.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 24 oktober 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 20 mei 2014 huurde appellant een kamer op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres). Op 3 juli 2014 heeft appellant de woning op dit adres verlaten. Op 4 juli 2014 heeft de hoofdbewoner van het uitkeringsadres aangifte gedaan van mishandeling door appellant. Op diezelfde datum heeft de burgemeester van Enschede appellant een huisverbod opgelegd tot 14 juli 2014 op de grond dat zijn aanwezigheid in de woning op het uitkeringsadres een onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de hoofdbewoner. Dit huisverbod is naar het uitkeringsadres gestuurd.

1.2.

Het college heeft appellant bij brief van 8 juli 2014 uitgenodigd voor een gesprek op

9 juli 2014 over zijn woonsituatie. Appellant is niet verschenen, waarop het college bij besluit van 9 juli 2014 het recht op bijstand van appellant met ingang van 9 juli 2014 heeft opgeschort en appellant heeft uitgenodigd het verzuim te herstellen door op 11 juli 2014 op gesprek te komen. Appellant is opnieuw niet verschenen. Op 11 juli 2014 heeft de politie appellant bericht dat de burgemeester hem een huisverbod heeft opgelegd. Op 14 juli 2014 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 1 augustus 2014, 18.00 uur. Appellant is op 22 juli 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 25 juli 2014 is de voorlopige hechtenis van appellant geschorst. Als schorsingsvoorwaarde is onder meer opgelegd dat appellant, anders dan met toestemming en medeweten van de reclassering, op geen enkele wijze rechtstreeks contact zal zoeken met de hoofdbewoner van het uitkeringsadres. Op diezelfde dag heeft appellant een kopie van het schorsingsbesluit overgelegd aan het college.

1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2015, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 7 juli 2014. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat is volgens het college het geval omdat hij niet heeft meegedeeld dat hij niet langer op het uitkeringsadres woonde. Omdat appellant dat niet heeft gemeld, kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.

1.4.

Op 10 maart 2015 is appellant vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van de hoofdbewoner van het uitkeringsadres.

1.5.

Bij uitspraak van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank Overijssel het beroep van appellant tegen het besluit van 10 maart 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2014 te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het college wist - of had kunnen weten - dat appellant gedurende de periode van het huisverbod niet in zijn woning mocht komen. Appellant hoefde er, naar het oordeel van de rechtbank, in de betrekkelijk korte periode na 3 juli 2014 nog niet op beducht te zijn dat hij aan het college moest melden dat zijn woonsituatie was gewijzigd. Dat een huisverbod was opgelegd impliceert immers niet dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gewijzigd, dan wel dat hij daarvan afstand heeft gedaan.

1.6.

Bij besluit van 17 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard en de bijstand ingetrokken met ingang van 12 juli 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2014 te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant er gedurende een betrekkelijk korte periode niet beducht op hoefde te zijn dat hij een melding moest doen aan het college omtrent zijn woonsituatie. Dat veranderde op 14 juli 2014. Op die dag is het huisverbod verlengd tot en met 1 augustus 2014. Appellant heeft op de zitting van de rechtbank verklaard dat hij hiervan op 14 juli 2014 op de hoogte is gesteld. Als gevolg daarvan zou hij bijna een hele maand niet meer op zijn woonadres (kunnen) verblijven. Omdat de feitelijke woonsituatie relevant is voor het recht op bijstand is de rechtbank van oordeel dat appellant het college had moeten informeren over de plaats waar hij verbleef. Door dit niet te doen heeft appellant met ingang van 15 juli 2014 de inlichtingenverplichting geschonden zodat er aanleiding bestond de bijstand per die datum in te trekken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2014. Appellant heeft aangevoerd dat hij ook met ingang van 15 juli 2014 de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat ook toen nog geen sprake was van een wijziging van zijn woonadres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het nader besluit heeft het college, met verwijzing naar de aangevallen uitspraak, het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard en de intrekkingsdatum gewijzigd in 15 juli 2014. Het nader besluit wordt, gelet op de

artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken, aangezien dit besluit niet volledig tegemoetkomt aan het beroep.

4.2.

De hier te beoordelen periode loopt van 15 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat hij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt.

4.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden de gedingstukken onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonadres niet op het uitkeringsadres heeft behouden.

4.7.

Vaststaat dat appellant op 3 juli 2014 de woning op het uitkeringsadres heeft verlaten. In de periode van 4 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 zijn twee huisverboden aan appellant opgelegd. Appellant verbleef in die periode niet in de woning. Volgens appellant verbleef hij afwisselend bij familie en vrienden. Zijn spullen heeft hij op zijn kamer in de woning gelaten.

4.8.

Gelet op de in 4.7 vermelde feiten en omstandigheden heeft appellant ook gedurende de te beoordelen periode zijn woonadres op het uitkeringsadres behouden. Daarbij is van belang dat de door het huisverbod ingegeven wijziging van de woon- en verblijfssituatie van appellant een vooropgezet tijdelijk karakter had. Van een verplaatsing van het feitelijke woonadres was geen sprake. De reden dat appellant niet in de woning aanwezig is geweest, was gelegen in het huisverbod dat één keer is verlengd. Door dat huisverbod was de woning voor appellant tijdelijk niet toegankelijk. De totale periode van het huisverbod heeft slechts één maand geduurd.

4.9.

Hoewel het appellant onder de gegeven omstandigheden niet had misstaan het college volledig in kennis te stellen van zijn situatie en zijn tijdelijke verblijf elders, kan appellant niet met recht worden tegengeworpen dat hij in de periode van 15 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij niet langer woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Het beroep tegen het nader besluit is gegrond en dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Omdat hetzelfde niet te herstellen gebrek kleeft aan het besluit van 1 augustus 2014 zal de Raad dit besluit herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen

om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2014;

- herroept het besluit van 1 augustus 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 17 september 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2016 gegrond en vernietigt dit besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.L. van den IJssel

HD