Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
15/5225 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief waarbij invulling wordt gegeven aan uitspraak van de Raad is niet een op rechtsgevolg gericht besluit. Bij definitieve vaststelling van het recht op bijstand Bbz 2004 tellen alle inkomsten in gehele boekjaar mee. Niet alleen over periode van bijstandverlening en niet alleen de inkomsten van de bijstandsgerechtigde. Geen verlenging van maximum periode van Bbz in verband met externe omstandigheden van tijdelijke aard. Terecht afgewezen aanvraag. Schadevergoeding in vorm van wettelijke rente toegewezen. Ten aanzien van hoger beroep tegen niet-ontvankelijk uitspraak rechtbank ten aanzien van verzoek om herziening is de Raad niet bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5225 BBZ, 16/2850 BBZ, 16/2851 BBZ, 16/3034 BBZ, 16/3036 BBZ, 16/4739 BBZ, 16/7436 BBZ

Datum uitspraak: 15 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

23 juni 2015, 14/7262 (aangevallen uitspraak 1), 24 maart 2016, 15/3135 (aangevallen uitspraak 2), 15/4273 (aangevallen uitspraak 3), 15/6080 (aangevallen uitspraak 4), 15/4271 (aangevallen uitspraak 5), 6 juni 2016, 15/4274 (aangevallen uitspraak 6) en 25 oktober 2016, 16/227 (aangevallen uitspraak 7) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Klomp-de Wijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1, 4 en 5 en een nader stuk ingediend. Appellante heeft hoger beroepen ingesteld tegen de andere aangevallen uitspraken en nadere stukken ingediend. Ook heeft appellante verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017. Appellante is verschenen, in de zaken 15/5225, 16/3034 en 16/3036 bijgestaan door mr. Klomp-de Wijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.A. Marinus.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante exploiteert sinds 2001 een onderneming onder de naam [naam onderneming]. Omdat appellante met haar onderneming onvoldoende inkomsten genereerde, heeft zij op 7 augustus 2012 als gevestigd zelfstandige een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

1.2.

Bij besluit van 20 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2013, heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 24 oktober 2013 (13/2114) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 1 maart 2013 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellante heeft op 4 april 2013 opnieuw bijstand op grond van het Bbz aangevraagd. Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm voor gehuwden toegekend over de periode van 4 april 2013 tot en met 3 oktober 2013. Het college heeft bij besluit van 12 augustus 2013 de bijstand per 8 juli 2013 beëindigd, omdat de partner van appellante, [naam E.] (E) per 8 juli 2013 inkomsten uit loondienst heeft en de inkomsten hoger zijn dan de voor appellante en E geldende bijstandsnorm.

1.4.

Bij besluit van 11 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 september 2014, heeft het college het recht op bijstand op grond van het Bbz van appellante over de periode van 4 april 2013 tot en met 7 juli 2013 definitief vastgesteld en de als renteloze geldlening verstrekte bijstand tot een bedrag van € 2.700,15 van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij uitspraak van 13 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:34) heeft de Raad de in 1.2 genoemde uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 maart 2013 vernietigd, het besluit van 20 september 2012 herroepen en bepaald dat appellante vanaf 7 augustus 2012 recht heeft op bijstand als gevestigd zelfstandige en dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 maart 2013. Bij brief van 6 februari 2015 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de Raad aan appellante als gevestigd zelfstandige bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm voor gehuwden toegekend op grond van het Bbz voor de periode van

7 augustus 2012 tot en met 3 april 2013, zijnde de dag voorafgaande aan de bijstandsverlening op grond van het besluit van 2 juli 2013.

1.6.

Bij nader besluit van 10 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het besluit van 11 april 2014 (lees: het besluit van 25 september 2014) ingetrokken, het recht op bijstand op grond van het Bbz van appellante over de periode van 1 januari 2013 tot en met 7 juli 2013 definitief vastgesteld, bepaald dat appellante in aanmerking komt voor bijstand om niet tot een bedrag van € 1.430,85 en het restant van de als renteloze geldlening verstrekte bijstand tot een bedrag van € 2.700,15 van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van eveneens 10 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college het recht op bijstand op grond van het Bbz over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 definitief vastgesteld op een bedrag van € 6.425,60 als bijstand om niet. Hiervan wordt, rekening houdend met het feit dat appellante al een bedrag van € 400,- had terugbetaald, een bedrag van € 2.300,15 verrekend met de vordering over 2013 en wordt € 4.125,45 aan appellante uitbetaald. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante over 2012 slechts recht op bijstand heeft over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 31 december 2012. Het recht op bijstand dat achteraf over 2012 is ontstaan, wordt verrekend met de vordering die over 2013 is ontstaan.

1.8.

Bij besluit van 5 juni 2015 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen de brief van 6 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de brief van 6 februari 2015 niet een besluit betreft in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht.

1.9.

Appellante heeft op 8 oktober 2014 opnieuw bijstand op grond van het Bbz aangevraagd. Bij besluit van 29 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2015 (bestreden besluit 4), heeft het college, voor zover hier van belang, deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet in bijstand behoeftige omstandigheden verkeert omdat het inkomen van E over 2014 is gelegen boven de bijstandsnorm over 2014.

1.10.

Appellante heeft op 29 januari 2015 nogmaals een aanvraag op grond van het Bbz ingediend. Bij besluit van 29 mei 2015 heeft het college aan appellante als gevestigd zelfstandige bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm voor gehuwden op grond van het Bbz toegekend over de periode van 29 januari 2015 tot en met 27 februari 2015. Bij besluit van 19 juni 2015 heeft het college, voor zover hier van belang, de aanvraag van appellante om verlenging van de bijstand afgewezen. Bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit 5) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat met de toekenning over de periode van 29 januari 2015 tot en met

27 februari 2015 de maximale periode van bijstand van twaalf maanden is bereikt.

1.11.

Het college heeft aan appellante op 21 februari 2015 een jaaropgave 2014 toegezonden. Bij besluit van 19 juni 2015 (bestreden besluit 6) heeft het college het bezwaar tegen de jaaropgave niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat een jaaropgave niet een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb maar informatie van feitelijke aard verstrekt. De jaaropgave is niet op rechtsgevolg gericht.

1.12.

Op 11 januari 2016 heeft appellante verzocht om herziening van de tussen E en het college gewezen uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013 (13/2110).

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 6 ongegrond verklaard. Bij aangevallen

uitspraak 4 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen bestreden

besluit 5 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 5 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 6 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het de verrekening van € 2.300,15 betreft, het besluit van 10 februari 2015 in zoverre herroepen, bepaald dat het college € 2.300,15, inclusief wettelijke rente, nabetaalt, dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 7 heeft de rechtbank het verzoek om herziening van de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2013 (13/2110) niet-ontvankelijk verklaard.

3. In de hoger beroepen heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het recht op bijstand vanaf 7 augustus 2012

4.1.1.

Met de brief van 6 februari 2015 heeft het college uitvoering gegeven aan de in 1.5 genoemde uitspraak van de Raad. Met die uitspraak stond vast dat appellante vanaf 7 augustus 2012 recht had op bijstand. Omdat dit rechtsgevolg al voortvloeit uit de uitspraak van 13 januari 2015, heeft de brief van 6 februari 2015 geen rechtsgevolg. Dit betekent dat het college in bestreden besluit 3 het tegen de brief gerichte bezwaarschrift terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1.2.

Uit 4.1.1 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Definitieve vaststelling van de bijstand over 2012 en 2013

4.2.1.

Uit artikel 6 van het Bbz volgt dat in afwijking van artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand (WWB) bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige rekening gehouden wordt met het inkomen over een boekjaar.

4.2.2.

Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB volgt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 van de WWB in aanmerking genomen middelen voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.2.3.

In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde

netto-inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz wordt onder netto inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de WWB, met toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Bbz.

4.2.4.

In artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz is bepaald dat kosten van bijstand van de zelfstandige worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in

hoofdstuk 3, paragraaf 3.4, van de PW, beschikt of kan beschikken.

4.2.5.

Over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 7 juli 2013 kwamen appellante en E op grond van de in 1.5 genoemde uitspraak van de Raad, in samenhang met de besluiten van 2 juli 2013 en 12 augustus 2013, in aanmerking voor bijstand naar de norm voor gehuwden. Evenals bij bijstand op grond van de WWB wordt ook in het kader van het recht op bijstand op grond van het Bbz rekening gehouden met de inkomsten van beide in de gezinsbijstand begrepen partners. Voor bijstand op grond van het Bbz gelden echter enkele afwijkende uitgangspunten. Zo dient, anders dan appellante stelt, bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige met alle in het boekjaar verworven inkomsten rekening te worden gehouden en niet slechts met de inkomsten in de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Artikel 6 van het Bbz maakt immers in die zin een uitzondering op art 32, eerste lid, aanhef en onder b van de WWB, welke bepaling wel aansluit bij de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dat E niet alle hier van belang zijnde inkomsten in de periode van bijstandsverlening heeft verdiend, is gelet op artikel 6 van het Bbz niet van belang. Waar het om gaat is of hij deze inkomsten in de van belang zijnde boekjaren heeft verdiend. Dit brengt met zich dat het college terecht alle in de boekjaren 2012 en 2013 verworven inkomsten van E bij de definitieve vaststelling van de bijstand over de perioden van 7 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 en van 1 januari 2013 tot en met 7 juli 2013 heeft betrokken en niet slechts de inkomsten die zijn verkregen ten tijde van de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Het beroep dat appellante op artikel 46 van het Bbz doet, maakt het voorgaande niet anders. Artikel 46 van het Bbz ziet op het achteraf kunnen beschikken over middelen waarop reeds in de periode van bijstandsverlening aanspraak bestond. Daarvan is in dit geval geen sprake. Artikel 46 van het Bbz is daarom niet van toepassing.

4.2.6.

De hoger beroepsgronden die zien op de vaststelling van het definitieve recht op bijstand over de periodes 1 januari 2013 tot en met 7 juli 2013 en 7 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 slagen gelet op 4.2.1 tot en met 4.2.6 niet.

Verrekening

4.2.7.

Zoals in 4.2.5 is overwogen, heeft appellante op grond van de in 1.5 genoemde uitspraak van de Raad over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 7 juli 2013 recht op bijstand in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz. Niet in geschil is dat het college over de periode van 1 januari 2013 tot en met 3 april 2013 (periode 1) feitelijk geen bijstand aan appellante heeft uitbetaald. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college duidelijk gemaakt dat het college geen bijstand heeft uitbetaald omdat daarmee de terugvordering zou oplopen. Wat het college feitelijk dus heeft gedaan is niet nabetalen, maar de nabetaling die zou moeten plaatsvinden na genoemde uitspraak van de Raad verrekenen met de terugvordering die bij een juiste definitieve vaststelling zou zijn ontstaan. Het college heeft dit alles niet zichtbaar gemaakt in de besluitvorming en ook met betrekking tot de verrekening geen besluit genomen. Conclusie van het voorgaande is dat het college bestreden besluit 1 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Niet in geschil is immers dat als het college een juist vaststellingsbesluit zou hebben genomen de terugvordering bij dat besluit was toegenomen met het bedrag dat het college over periode 1 had moeten nabetalen. Ter zitting is nog gesproken over de vraag of het college in dat geval wel tot verrekening had mogen overgaan. De Raad stelt echter vast dat appellante hieraan geen gevolgen heeft verbonden, net zoals zij geen gronden heeft gericht tegen de verrekening bij besluit 2, terwijl zij over 2013 bovendien een inkomen heeft gehad boven de bijstandsnorm. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan

artikel 6:22 van de Awb.

Aanvragen in 2014 en 2015

4.3.1.

Zoals volgt uit 4.2.5 zijn alle in het boekjaar verkregen inkomsten van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand op grond van het Bbz. Omdat E in het boekjaar 2014 over inkomsten beschikte boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, verkeerde het gezin van appellante ten tijde hier van belang niet in bijstandbehoevende omstandigheden zodat het college de aanvraag van appellante van 8 oktober 2014 terecht heeft afgewezen.

4.3.2.

Uit 4.3.1 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 5 niet slaagt. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.

4.3.3.

Uit artikel 18 van het Bbz volgt dat aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Bbz gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

4.3.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4435) is voor de uitleg van artikel 18 van het Bbz van belang de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Algemene bijstandswet (Abw). Artikel 9, eerste lid, van de Abw, nadien vernummerd tot artikel 8 van de Abw, was een in essentie gelijkluidende bepaling als artikel 18 van het Bbz. In de Memorie van Toelichting is opgemerkt dat een langere uitkeringsperiode dan twaalf maanden zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, wat in strijd is met het uitgangspunt dat, behalve wanneer het ouderen betreft, alleen een uitkering aan zelfstandigen kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen. Verlenging van genoemde termijn met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen (Kamerstukken II 1991/92, 22545, nr 3, blz. 114).

4.3.5.

Anders dan appellante stelt, volgt uit artikel 18 van het Bbz en de in 4.3.4 genoemde wetsgeschiedenis niet dat voor het vaststellen van de periode van twaalf maanden een aaneengesloten uitkeringsperiode in acht moet worden genomen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij door onjuiste en trage besluitvorming van het college niet de voor haar onderneming noodzakelijke investeringen heeft kunnen doen, waardoor haar onderneming op de rand van faillissement verkeerde. Anders dan appellante heeft betoogd kunnen deze omstandigheden gelet op 4.3.4 niet worden aangemerkt als externe omstandigheden van tijdelijke aard zoals bedoeld in artikel 18 van het Bbz.

4.3.6.

Uit 4.3.3 tot en met 4.3.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 4 evenmin slaagt. Ook deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Schade

4.4.1.

In aangevallen uitspraak 6 heeft de rechtbank al beslist dat het college over het nog te betalen bedrag van € 2300,15 over de periode van 7 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 wettelijke rente is verschuldigd. Niet in geschil is dat het college ook wettelijke rente is verschuldigd aan appellante met betrekking tot de nabetaling over periode 1 in 2013. De rechtbank heeft dat in aangevallen uitspraak 1 niet onderkend. Gelet op wat onder 4.2.7 is overwogen loopt de wettelijke rente van 1 februari 2013 (de eerste dag van de kalendermaand volgende op het tijdvak waarop de periodieke betaling betrekking heeft) tot de datum

10 februari 2015, zijnde de datum van het besluit waarbij het college fictief tot verrekening is overgegaan en waarvan de Raad de rechtsgevolgen in stand laat. Het college dient de wettelijke rente te berekenen overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

4.4.2.

Appellante heeft voorts om veroordeling tot vergoeding van aanvullende materiële schade en van immateriële schade verzocht. Voor de vaststelling van schade moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159). Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Een en ander brengt mee dat er in dit geval naast de vergoeding van de wettelijke rente geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde uitbetaling van de bijstand beweerdelijk voortgevloeide verlaagde kredietwaardigheid van de onderneming, belastingnadeel, gemiste inkomensfaciliteiten, extra administratieve lasten, onverantwoord hoge kosten en kosten van tijdsbesteding ten behoeve van het voeren van rechtszaken.

4.4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit. Met wat appellante heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij is aangetast in haar eer en goede naam dan wel anderszins in haar persoon, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.

4.4.4.

Uit 4.4.2 en 4.4.3 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 6 niet slaagt. De uitspraak zal om die reden worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt toegewezen voor zover het betreft de wettelijke rente over de betaling van de leenbijstand over de periode 1 januari 2013 tot en met 3 april 2013.

Jaaropgave 2014

4.5.

Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2336) volgt dat een jaaropgave informatie verstrekt van feitelijke aard en dat daartegen geen voorziening op grond van de Awb openstaat. Het college heeft het bezwaar van appellante tegen de jaaropgave 2014 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 3 slaagt niet. Ook deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Herzieningsverzoek

4.6.1.

De Raad is niet bevoegd om van het hoger beroep dat zich richt tegen de

niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het verzoek om herziening ingevolge

artikel 8:119 van de Awb, kennis te nemen. Op grond van vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 29 mei 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA8749) is de uitspraak, inhoudende het niet-ontvankelijk verklaren van een verzoek om herziening, geen uitspraak als bedoeld in

afdeling 8.2.6 van de Awb, noch een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb of een daarmee op één lijn te stellen uitspraak ten gronde die volgt na een toewijzing van een verzoek om herziening, maar een uitspraak als bedoeld in titel 8.6 van de Awb.

4.6.2.

Voorts wijst de Raad op het karakter van herziening als een bijzonder rechtsmiddel, dat in zijn ogen tevens grond biedt voor het oordeel dat tegen de beslissing op het verzoek om herziening niet het gewone rechtsmiddel van hoger beroep open kan staan.

4.6.3.

Tegen aangevallen uitspraak 7 kan derhalve geen hoger beroep worden ingesteld, zodat de Raad zich in zoverre onbevoegd verklaart.

Conclusie

4.7.1.

Gelet op 4.2.7 zal aangevallen uitspraak 1 worden bevestigd, met verbetering van gronden. Het college zal worden veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente als is overwogen in 4.4.1.

4.7.2.

De aangevallen uitspraken 2 tot en met 6 worden gelet op 4.1.2, 4.3.2, 4.3.6, 4.4 en 4.5 bevestigd.

4.7.3.

De Raad verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen aangevallen uitspraak 7.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

In de zaken 16/2850, 16/2851, 16/3034, 16/3036, 16/4739 BBZ

- bevestigt de aangevallen uitspraken 2 tot en met 6;

In zaak 16/7436 BBZ

- verklaart zich onbevoegd;

In zaak 15/5225 BBZ

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- veroordeelt het college tot vergoeding van wettelijke rente met inachtneming van wat in

4.4.1 is overwogen;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2017.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.L. van den IJssel

HD