Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
15/5654 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering. IVA-uitkering terecht geweigerd. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts over de prognose over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellante ten tijde van belang. De rechtbank heeft terecht geen oordeel gegeven over wat appellante heeft aangevoerd over het maatmanloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5654 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
10 juli 2015, 15/627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft Eshuis een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/5886 WIA, plaatsgevonden op
28 juni 2017. Namens appellante zijn verschenen Eshuis en [naam A.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Na behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als restaurant manager voor 32 uur per week. Vanuit de situatie dat appellante een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet heeft zij zich per 1 november 2012 ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 20 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 oktober 2014 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Appellante is weliswaar volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht in verband met een meer dan geringe kans op relevante verbetering.

1.3.

Appellante heeft in bezwaar aangevoerd dat zij behalve volledig ook duurzaam arbeidsongeschikt is en om die reden voor een IVA-uitkering in aanmerking komt. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 17 maart 2015 een nadere motivering gegeven over het ontbreken van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. Het tegen het besluit van 20 augustus 2014 gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 17 maart 2015 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, waarin de Raad heeft geoordeeld dat het door het Uwv opgestelde beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (Beoordelingskader) een uitwerking is van en in grote lijnen overeenkomt met de procedure die volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de betreffende bepalingen gevolgd zal worden bij het vaststellen van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat een inschatting door de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de prognose over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellante ten tijde van belang. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich heeft gebaseerd op dossieronderzoek, informatie van PsyQ van 29 augustus 2014 en informatie van psychiater W. Bohlmeijer van 14 januari 2015 en 12 februari 2015. Op basis van de beschikbare informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er op 30 oktober 2014 een redelijke kans bestond voor verbetering van de belastbaarheid van appellante. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat een behandeling was ingezet en medicatie was voorgeschreven. De in beroep overgelegde brief van 29 mei 2015 van psychiater Bohlmeijer heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Verder heeft appellante aangevoerd dat sprake is van een ernstige en recidiverende depressie. Zij is van mening dat het Uwv geen objectief oordeel kan geven dat appellante zal herstellen dan wel een meer dan geringe kans op herstel heeft. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op een verslag van een intake op 28 februari 2017 bij de afdeling medische psychologie van Ziekenhuisgroep Twente. Zij heeft verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Verder heeft appellante gesteld dat de rechtbank haar gronden over het maatmanloon ten onrechte heeft gepasseerd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Betreffende het standpunt van appellante dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, wordt wat de rechtbank daarover heeft geoordeeld volledig onderschreven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv na het aanvullend onderzoek door de (primaire) verzekeringsarts op 16 december 2014 appellante heeft verzocht om te laten weten of zij nog gehoord wilde worden en dat appellante hierop niet tijdig heeft gereageerd.

4.2.

Aan de orde is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA met ingang van 30 oktober 2014 recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4.3.

Het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daarbij wordt verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2015. Dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door haar meegewogen informatie van de behandelend sector bevat een voldoende onderbouwing voor de prognose dat de functionele mogelijkheden van appellante kunnen worden verbeterd.

4.4.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie, die ziet op de ontwikkelingen nadien, kan aan dit oordeel geen afbreuk doen. Hetzelfde geldt voor de huidige medische situatie van appellante. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt dan ook geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat zij met ingang van 30 oktober 2014 ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het daartoe strekkende verzoek van appellante wordt afgewezen.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geen oordeel gegeven over wat appellante heeft aangevoerd over het maatmanloon. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is per
30 oktober 2014 vastgesteld op 100%. Voor de hoogte van haar uitkering of voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is momenteel, gezien het systeem van de Wet WIA, de hoogte van het maatmanloon niet van belang.

4.6.

Gezien wat hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. Uit het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en C.C.W. Lange en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB