Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
15-1325 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. Het Uwv heeft het bestreden besluit eerst in hoger beroep voorzien van een toereikende verzekeringsgeneeskundige grondslag. Afdoende gemotiveerd dat de voor appellante geduide functies in medisch opzicht passend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1325 WAJONG

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2015, 13/5149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante en

mr. Van de Laar zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Het Uwv heeft een reactie ingezonden naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedag] 1989, heeft een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), door het Uwv ontvangen 23 oktober 2012. Het Uwv heeft bij besluit van 11 april 2013 afwijzend beslist op die aanvraag. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 1 oktober 2013 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2013 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het Uwv appellante op 4 april 2014 gehoord. Het Uwv heeft het bestreden besluit nader gemotiveerd bij brief van 26 september 2014, een rapport en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 augustus 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een rapport 18 september 2014 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, alsmede een aanvullend expertiserapport van 19 juni 2014 van psychiater P.J.H. Notten. Het Uwv handhaaft het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij geoordeeld dat er geen aanleiding is het door de verzekeringsartsen verrichte medische onderzoek onzorgvuldig te achten. De beroepsgrond dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de brieven van behandelend psychiater B. Roussard slaagt niet. Voorts onderschrijft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, zoals neergelegd in het rapport van 18 september 2014 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Die arbeidsdeskundige heeft de signaleringen die attenderen op (mogelijke) overschrijdingen van de in de FML vastgestelde belastbaarheid genoegzaam toegelicht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, onzorgvuldig is verricht. Appellantes beperkingen als het gevolg van psychische klachten en verslavings- en slaapproblematiek zijn onderschat. Appellante kan zich niet vinden in de expertiserapporten van psychiater Notten. Ter onderbouwing verwijst appellante naar een eerder overgelegde brief van psychiater Roussard waarin deze stelt dat hij appellante op 6 juni 2013 heeft gezien, dat appellante toen zij zestien jaar was kampte met een ernstig depressief syndroom met psychotische elementen, dat het na de geboorte van haar zoontje in 2010 even beter ging en dat zij de laatste jaren met dezelfde ernstige stemmingsproblematiek kampt waarbij gebruik van alcohol en drugs een belangrijke plaats inneemt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op de aanvraag van appellante zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong van toepassing. Er is sprake van een laattijdige aanvraag, aangezien appellante bijna zes jaar na haar zeventiende verjaardag een Wajong-aanvraag heeft ingediend.

4.2.1.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die:

a. aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.2.2.

Het tweede lid luidt: “Indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, dan wordt de ingezetene alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.”

4.2.3.

Op grond van artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4831.

4.4.

Beoordeeld moet worden of het Uwv in het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat zij zestien weken na datum aanvraag (12 februari 2013) in staat wordt geacht meer dan 75% van haar maatmanloon te verdienen.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 25 augustus 2014 overwogen dat appellante op [geboortedag] 2006, 52 weken nadien en zestien weken na datum aanvraag kampte met psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Mede op grond van de expertiserapporten van 13 februari 2013 en 19 juni 2014 van psychiater Notten heeft hij vastgesteld dat appellante beperkingen van blijvende aard heeft die zijn verankerd in haar persoonlijkheidsstructuur. In de FML van 25 augustus 2014 heeft hij beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden. Appellante wordt niet geschikt geacht voor werk in sterk wisselende diensten.

4.6.

Hangende hoger beroep heeft psychiater Notten desgevraagd in zijn brief van

20 september 2016 te kennen gegeven dat appellante op [geboortedag] 2006 en 52 weken nadien, in het tijdvak van [geboortedag] 2007 tot [geboortedag] 2012 (Amber-periode) en

zestien weken na datum aanvraag ernstig verslaafd was en dat haar functioneren werd beïnvloed door haar verslavingsproblematiek. Hij acht het moeilijk antwoord te geven op de vraag hoe appellante in die periodes heeft gefunctioneerd. Appellante is in 2013 opgenomen geweest bij GGZ Momentum en bij de GGZ in Zuid-Afrika voor een detoxperiode. GGZ Momentum stelde bij ontslag een niveau van functioneren GAF=51 vast. Dat betekent dat appellante matige symptomen en matige problemen had in sociaal of beroepsmatig functioneren. In mei en juni 2014 heeft psychiater Notten geen psychiatrisch toestandsbeeld gezien bij appellante. Er was nog wel sprake van persoonlijkheidsproblematiek. De middelenafhankelijkheid en het middelenmisbruik waren in remissie en appellante was nog steeds onder behandeling in de verslavingszorg.

4.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 oktober 2016 overwogen dat nu het voor psychiater Notten moeilijk is om een helder inzicht te geven over de bij appellante aanwezige beperkingen als gevolg van verslavingsproblematiek, het ook voor hem niet mogelijk is die beperkingen van appellante te beschrijven op [geboortedag] 2006, 52 weken nadien, ten tijde van de Amber-periode en zestien weken na datum aanvraag. Hij merkt op dat psychiater Notten in zijn rapport van 13 februari 2013 heeft geconcludeerd dat appellante van haar zestiende tot haar negentiende, toen zij in de zaak van haar ouders werkte, redelijk goed heeft gefunctioneerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt hieruit af dat appellante tussen [geboortedag] 2005 en [geboortedag] 2007 in elk geval beroepsmatig heeft kunnen functioneren. Hij heeft in het rapport van Notten geen aanleiding gezien om het oordeel over de beperkingen van appellante te wijzigen.

4.8.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat in de FML van 25 augustus 2014 te weinig rekening is gehouden met de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid op

[geboortedag] 2006, 52 weken nadien, ten tijde van de Amber-periode en zestien weken na datum aanvraag. Hiertoe wordt als volgt overwogen. Psychiater Notten heeft in het rapport van 13 februari 2013 aangevuld met het rapport van 19 juni 2014 en de brief

20 september 2016 op grond van psychiatrisch onderzoek en dossierstudie op inzichtelijke wijze de psychische problematiek en de verslavingsproblematiek van appellante beschreven en beschouwingen gewijd aan de beperkingen die appellante als gevolg daarvan heeft (ondervonden). Dat de beperkingen van appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd moeilijk zijn vast te stellen komt volgens de onder 4.3 vermelde rechtspraak voor haar rekening en risico. Met de brief van psychiater Roussard met datum 6 juni 2013 heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat in de FML van 25 augustus 2014 te weinig rekening is gehouden met haar beperkingen op de relevante data. Uit het verzekeringsgeneeskundig rapport van 25 augustus 2014 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de FML kenbaar de psychische problematiek en verslavingsproblematiek van appellante heeft meegewogen. Daarnaast heeft appellante, daartoe uitgenodigd, niet gereageerd op het rapport van 19 juni 2014, de brief van 20 september 2016 van psychiater Notten en de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 25 augustus 2014 en 3 oktober 2016.

4.9.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 18 september 2014 afdoende gemotiveerd dat de voor appellante geduide functies van productiemedewerker afwerk (SBC-code 111172), productiemedewerker inpak (SBC-code 111190) en Soldering technician (SBC-code 111180) in medisch opzicht passend zijn.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het Uwv in het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat zij op de relevante data in staat wordt geacht meer dan 75% van haar maatmanloon te verdienen.

4.11.

Het Uwv heeft het bestreden besluit eerst in hoger beroep voorzien van een toereikende verzekeringsgeneeskundige grondslag. De rechtbank heeft de gebrekkige verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit niet onderkend. Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht zal het gebrek worden gepasseerd aangezien aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Appellante heeft in beroep en hoger beroep alsnog gelegenheid gehad om haar standpunt toe te lichten en het bestreden besluit is naar zijn rechtsgevolg juist. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, met verbetering van gronden.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellante gemaakte kosten van rechtsbijstand in beroep (beroepschrift, verschijnen ter zitting en ter hoorzitting) en hoger beroep (hoger beroepschrift), resulterend in een vergoeding van € 1.980,- (4 punten ten bedrage van € 495,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B. Dogan

AB