Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/1280 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Over het jaar 2012: Vaststelling pgb op nihil en terugvordering pgb. Niet is vast te stellen of de zorg waarvoor het pgb is verstrekt ook daadwerkelijk is verleend. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante. Voor het jaar 2013: Intrekking verleende pgb. Appellante heeft niet voldaan aan de verplichting de voor dat jaar voorgeschoten bedragen te gebruiken voor betaling van AWBZ zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1280 AWBZ, 16/4317 AWBZ

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2015, 14/318 (aangevallen uitspraak 1), en 31 mei 2016, 15/5486 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (voorheen Achmea Zorgkantoor N.V.) (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.J. Hijnen, advocaat, hoger beroep ingesteld in de zaak 15/1280 AWBZ.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 15/1280 AWBZ heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hijnen en [naam] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Vervolgens heeft mr. Hijnen namens appellante hoger beroep ingesteld in de zaak 16/4317 AWBZ.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 15/1280 AWBZ is hervat en heeft gevoegd met de zaak 16/4317 AWBZ plaatsgevonden op 11 januari 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hijnen en [naam] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket VG03, laatstelijk voor de periode van 21 april 2011 tot en met 20 april 2026. Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2012 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 63.883,70 voor zorg als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ. Voor het jaar 2013 is aan appellante een netto pgb verleend van € 60.482,18.

1.2.

Bij besluit van 15 maart 2013 heeft het Zorgkantoor de verantwoording over de eerste helft van het jaar 2012 afgekeurd. Ook heeft het Zorgkantoor het aan appellante voor 2013 verleende pgb met ingang van 16 maart 2013 beëindigd (lees: ingetrokken). Het bezwaar van appellante hiertegen is bij besluit van 26 november 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit 1 van 25 februari 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor 2012 vastgesteld op nihil. Dit betekent dat van appellante een bedrag van € 63.883,70 aan te veel ontvangen voorschotten wordt teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit 2 van 25 februari 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 vastgesteld op nihil. Als gevolg hiervan wordt van appellante een bedrag van € 12.262,12 aan te veel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 2 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Zorgkantoor het door appellante tegen de besluiten van 25 februari 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet aan haar verantwoordingsplicht heeft voldaan omdat zij niet heeft kunnen aantonen dat het pgb over de eerste helft van het jaar 2012 is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg. Het pgb is dan ook terecht ingetrokken per 16 maart 2013.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet aan haar verplichtingen die zijn verbonden aan het pgb heeft voldaan. Uit de overgelegde stukken en de gegeven toelichting kan niet worden afgeleid dat appellante het aan haar toegekende pgb heeft besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg. Het Zorgkantoor was dus bevoegd om het pgb over het jaar 2012 en over de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 lager vast te stellen en het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen. Het Zorgkantoor heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat zij wel aan haar verplichtingen als bedoeld in de Rsa heeft voldaan en dat zij kosten heeft gemaakt voor de aan haar verleende AWBZ-zorg. Er is sprake van een onevenredige belangenafweging.

3.2.

Ter zitting heeft het Zorgkantoor nader toegelicht dat aan de bestreden besluiten ten grondslag is gelegd dat het Zorgkantoor niet heeft kunnen vaststellen of appellante het pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg en dat appellante hiermee niet aan haar verantwoordingsplicht heeft voldaan.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante het aan haar verleende pgb voor het jaar 2012 en voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 heeft besteed aan AWBZ-zorg.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken met juistheid geoordeeld dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid of, en zo ja, welke zorg appellante daadwerkelijk heeft ingekocht en ontvangen. Zowel appellante als [zorgcentrum] (hierna: [zorgcentrum] ) hebben herhaaldelijk geweigerd in te gaan op verzoeken van het Zorgkantoor om de verleende zorg nader toe te lichten. Ook in hoger beroep is niet duidelijk geworden of, en zo ja, welke zorg aan appellante werd verleend, uit welke concrete activiteiten deze zorg bestond, waar (bij appellante thuis of op [zorgcentrum] ) de zorg werd verleend en door wie de zorg is verleend. Appellante heeft de door de rechtbank gesignaleerde en in de aangevallen uitspraken beschreven discrepanties en onduidelijkheden in de door haar overgelegde stukken niet weggenomen. Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat aan de zorgfunctie kort verblijf een onjuiste invulling is gegeven en dat appellante niet heeft kunnen onderbouwen waarom volgens de specificaties van [zorgcentrum] dagelijks exact dezelfde zorg nodig is en elke dag op exact hetzelfde tijdstip zou zijn verleend. Voor zover al andere vormen van zorg zouden zijn verleend dan de zorgfuncties waarvoor appellante is geïndiceerd, heeft zij dit onvoldoende concreet beschreven. Desgevraagd is ter zitting bij de Raad verklaard dat geen logboek van de verrichte activiteiten is bijgehouden. Verder heeft appellante ter zitting van de rechtbank zeven werknemers van [zorgcentrum] genoemd die (onder andere) aan haar zorg zouden hebben verleend. In hoger beroep heeft appellante daarentegen gegevens overgelegd van 15 – geheel andere – zorgverleners dan zij eerder in beroep heeft aangedragen en waarvan appellante stelt dat enkele zorgverleners – ondanks dat zij ten tijde van het verlenen van zorg minderjarig waren – gediplomeerde verpleegkundigen zijn. Ten slotte heeft appellante niet kunnen verklaren hoe haar indicatie, ZZP VG03 zich verhoudt met de uitoefening van haar functies als voorzitter en lid van de Raad van Toezicht van [zorgcentrum] in de jaren 2010 tot en met 2012. Dat appellante destijds nog gezond was, dan wel dat haar functies moeten worden beschouwd als bezigheidstherapie, overtuigt de Raad niet. Met het Zorgkantoor is de Raad van oordeel dat een situatie is ontstaan waarin kan worden vastgesteld dat in de onder 4.1 genoemde periodes daadwerkelijk AWBZ-zorg is verleend en hiervoor ook is betaald.

Vaststelling en terugvordering over het jaar 2012

4.3.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd. Het eerste lid onder a bepaalt (voor zover van belang) dat het budget uitsluitend mag worden besteed voor betaling aan zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, j of k, van de Rsa.

4.3.2.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.3.3.

Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.3.4.

Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.3.5.

Uit het overwogene in 4.2 volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen.

4.3.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.3.7.

De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij al langer zorg inkocht bij [zorgcentrum] en erop mocht vertrouwen dat de verantwoording weer zou worden goedgekeurd, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Nu niet is vast te stellen of de zorg waarvoor het pgb is verstrekt ook daadwerkelijk is verleend, is ook niet vast te stellen dat enig bedrag van het pgb daaraan is besteed. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante.

4.3.8.

Gelet op wat hiervoor is overwogen was het Zorgkantoor bevoegd om het pgb op nihil vast te stellen, zodat het Zorgkantoor € 63.883,70 aan voorschotten onverschuldigd heeft betaald en tot terugvordering daarvan bevoegd was. Ook de in artikel 4:95 van de Awb neergelegde bevoegdheid tot terugvordering is een discretionaire bevoegdheid. Dat appellante, zoals zij stelt, het geld al heeft uitgegeven en dat zij zorgbehoeftig is maakt niet dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

Intrekking met ingang van 16 maart 2013

4.4.1.

Ingevolge artikel 4:48, aanhef en onder b, van de Awb kan het bestuursorgaan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie‑ontvanger wijzigen, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.4.2.

Ingevolge artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa kan de verleningsbeschikking worden ingetrokken met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 opgelegde overige verplichtingen niet nakomt.

4.4.3.

Aan de intrekking van het pgb met ingang van 16 maart 2013 heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat bij de beoordeling van de verantwoording van het pgb voor het jaar 2012 is gebleken dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. De gedragingen van appellante met betrekking tot 2012 kunnen evenwel niet worden aangemerkt als handelen in strijd met de verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2013 aan appellante zijn opgelegd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2711.

4.4.4.

Wat is overwogen onder 4.2 geldt ook voor de periode van 1 januari tot en met
15 maart 2013. Appellante heeft dus ook in deze periode niet voldaan aan de verplichting de voor dat jaar voorgeschoten bedragen te gebruiken voor betaling van AWBZ‑zorg. Gelet op deze omstandigheid was het Zorgkantoor op grond van het bepaalde in artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa bevoegd het voor het jaar 2013 verleende pgb in te trekken. De Raad ziet aanleiding het motiveringsgebrek als beschreven onder 4.4.3 met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit 1 niet is benadeeld.

4.4.5.

Uit 4.4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

Vaststelling en terugvordering over 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013

4.5.1.

Met verwijzing naar overweging 4.4.4 is de Raad van oordeel dat appellante ook voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb voor die periode vast te stellen op nihil.

4.5.2.

Niet kan worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen.

4.5.3.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellante onverschuldigd een bedrag van € 12.262,12 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Hiervoor overwogen betekent dat het hoger beroep, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak 2, niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

5. Gelet op het motiveringsgebrek in het bestreden besluit 1 bestaat aanleiding het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten betreffen de in hoger beroep gemaakte kosten wegens verleende rechtsbijstand (beroepschrift, zitting en nadere zitting). Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in beroep is niet gebleken.

De zaken met registratienummers 15/1279 AWBZ en 16/4286 AWBZ alsmede 15/1283 AWBZ en 16/4279 AWBZ moeten als samenhangende zaken worden aangemerkt, zodat zij samen voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden beschouwd als één zaak. Bij de berekening van de proceskosten moet daarom de wegingsfactor 1 worden toegepast, die ingevolge C2 van de bijlage bij het Bbp gehanteerd wordt bij minder dan vier samenhangende zaken. Het uiteindelijk aldus berekende bedrag aan kosten van rechtsbijstand moet vervolgens worden gedeeld door drie, het aantal samenhangende zaken. De proceskosten worden begroot op
€ 1.237,50 wegens verleende rechtsbijstand, dus € 412,50 in de onderhavige zaak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 412,50;

  • -

    bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) N. Veenstra

NW