Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2785

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16/5199 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve oordeel dat het college niet bevoegd was op de aanvraag om een AIO aanvulling te beslissen. Doorzendplicht van college aan Svb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5199 PW

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 juni 2016, 16/734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1950, heeft op 9 oktober 2015 bij het college bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd ter aanvulling op zijn uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3.

Vervolgens heeft de Sociale verzekeringsbank (SVB) aan appellant per 1 oktober 2015 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet

(AOW-uitkering) aangevuld met algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ingevolge de PW. Op de betaling van de AOW-uitkering en AIO-aanvulling houdt de SVB een zogenoemde bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet (Zvw) in.

1.4.

Bij besluit van 19 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij de AIO-aanvulling van appellant rekening wordt gehouden met zijn pensioeninkomsten en de kostendelersnorm. Appellant heeft geen recht op aanvullende bijstand. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat appellant een lagere uitkering ontvangt dan waar hij recht op heeft. Voor zover appellant beoogt te stellen dat deze uitkering te laag is in verband met de toepassing van de kostendelersnorm of de hoogte van de AIO-aanvulling, dient hij zich te wenden tot de SVB. Dat appellant netto slechts € 533,57 per maand ontvangt komt door de extra Zvw-premie, die op zijn uitkering wordt ingehouden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zijn netto-inkomen lager is dan het minimum sociaal inkomen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellant zich tot de SVB kan wenden indien zijn AIO-aanvulling te laag is of ten onrechte de kostendelersnorm is toegepast. De SVB kan appellant behalve de AIO-aanvulling geen toeslag of andere voorziening toekennen. Bijzondere omstandigheden rechtvaardigen verlening van bijstand boven op de

AOW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft met zijn aanvraag van 9 oktober 2015 uitdrukkelijk beoogd bijstand ingevolge de PW te verkrijgen. Niet in geschil is dat het gaat om bijstand ter voorziening in de algemene kosten van het bestaan. Het betreft derhalve een aanvraag om algemene bijstand.

4.2.

Appellant had ten tijde van zijn aanvraag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dit leidt tot de volgende ambtshalve beoordeling. Met ingang van 1 januari 2010 is in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (nu: PW) bepaald dat de SVB tot taak heeft het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1249) is het college in dat geval niet bevoegd om te beslissen op de bijstandsaanvraag omdat de SVB deze exclusieve bevoegdheid toekomt.

4.3.

In artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld doorzendt naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Het college heeft in strijd met deze bepaling verzuimd om de aanvraag om bijstand van appellant van 9 oktober 2015 door te zenden aan de SVB.

4.4.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 47a en 43 van de PW en het besluit van 22 oktober 2015 herroepen. De Raad zal het college niet opdragen de aanvraag door te zenden aan de SVB ter verdere behandeling, aangezien uit 1.3 volgt dat de SVB inmiddels al heeft beslist omtrent verlening van algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling.

4.5.

Gelet op wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 behoeven de beroepsgronden geen bespreking meer.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 495,- in bezwaar, € 495,- in beroep en € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2016 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 22 oktober 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) J.L. Boxum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD