Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
15/6517 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opvang op grond van de Wmo. De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank aan de conclusie dat iedereen een minimumvoorziening moet worden geboden ten onrechte niet ook de conclusie heeft verbonden dat aan appellante over de periode van 29 november 2013 tot en met 10 februari 2014 een uitkering moet worden verstrekt is onbegrijpelijk, nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet heeft geconcludeerd dat appellante recht heeft op een minimumvoorziening.

Dwangsom afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6517 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 september 2015, 14/6393 en 15/1186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6373, 15/6464, 15/7012, 15/6462, 15/7015, 15/6479, 15/7009, 15/6481, 15/7010, 15/6517, 15/6978, 15/6599, 15/6657, 15/6658, 15/6966 en 15/7024 heeft gevoegd plaatsgehad op 5 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Appellante heeft op 28 december 2013 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder opvang in het Arkingebouw aan het Surinameplein te Amsterdam
(de – voormalige – Jellinek) is geboden.

1.3.

Het college heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 16 april 2014 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 8 december 2014 heeft het college een nieuwe aanvraag van appellante om Wmo-opvang afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van

16 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk 14/6393, gericht tegen het bestreden besluit, gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het college een dwangsom verschuldigd is van € 80,-. Het beroep in de zaak met kenmerk 15/1186, gericht tegen het besluit van 16 februari 2015, heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3096, en de door het college verstrekte toelichting, begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat is beslist op zowel het bezwaar van 28 december 2013 als op het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2014, in die zin dat appellante vanaf 29 november 2013 geen recht heeft op opvang op grond van de Wmo. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante sinds 11 februari 2014 in een asielzoekerscentrum verblijft en dat haar daarvoor onverplicht opvang door het college is verleend.

4.2.

De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank aan de conclusie dat iedereen een minimumvoorziening moet worden geboden ten onrechte niet ook de conclusie heeft verbonden dat aan appellante over de periode van 29 november 2013 tot en met 10 februari 2014 een uitkering moet worden verstrekt is onbegrijpelijk, nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet heeft geconcludeerd dat appellante recht heeft op een minimumvoorziening. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.3.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 29 november 2013 slaagt evenmin. Als al sprake is geweest van een aanvraag is daarop diezelfde dag beslist door aan appellante opvang te verlenen. Deze beslissing, die is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is daarmee ruimschoots binnen de daarvoor geldende termijn genomen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) M.S.E.S. Umans

RB